[BFXX]
Mijn standaard beschrijvingsmodel.
INHOUD
-
1. De korte titel
-
2.a Transcriptie van de dektitel
-
2.b Transcriptie van de titelpagina('s)
-
2.c Transcriptie van de gegraveerde titelpagina
of titelprent
-
3. Het colofon
-
4. De opbouwformule
-
5. De paginering of foliëring
-
6. De posities van de katernsignaturen
-
7. De inhoud
-
8. Aantal tekstregels
-
9. Gecollationeerde exemplaren
-
10. Niet gecollationeerde exemplaren
-
11. Varianten
-
12. Commentaar
1. De korte titel
Deze korte titel functioneert als kopje voor de rest van de
beschrijving. Hij bestaat uit de auteursnaam in standaardvorm, gevolgd
door een dubbele punt. Vervolgens de titel, die gecursiveerd is en
afgesloten wordt met een punt. Lange titels zijn ingekort en het
hoofdlettergebruik aan de moderne spelling aangepast. De ondertitel wordt
van de hoofdtitel gescheiden door een komma, waarna een hoofdletter
volgt. Hierna komt de plaats van uitgave in moderne vorm met een dubbele
punt. Dan de uitgever/boekverkoper in de vorm zoals die in de
Thesaurus voorkomt met een komma. En tot slot het jaar van uitgave
afgesloten met een punt. Wanneer er geen jaar van uitgave op de
titelpagina vermeld is, heb ik die aangevuld tussen rechte haken, of
vervangen door de aanduiding "z.j.".
2.a Transcriptie van de dektitel
De dektitel is de overkoepelende titelpagina van een boek dat meer dan
één tekst met een eigen titelpagina bevat.
2.b Transcriptie van de titelpagina('s)
2.c Transcriptie van de gegraveerde titelpagina
of titelprent
Hoewel deze elementen niet noodzakelijk zijn als er afbeeldingen van de
betreffende pagina's worden gegeven, heb ik ze toch altijd gemaakt, omdat
ik niet van tevoren wist of ik de foto's kon krijgen. Vaak moest ik er
ook lang op wachten. Een belangrijker reden om hier toch de regels voor
die transcriptie uiteen te zetten, is gelegen in het feit dat deze regels
ook zijn gebruikt bij de beschrijving van het fonds van Van den Bergh en
de checklist van het werk van Ulaeus. Het zou te kostbaar worden om ook
hier afbeeldingen te geven.
Allereerst wordt met behulp van de katernsignatuur de pagina aangeduid
waar de gegevens worden gevonden.
In tegenstelling tot de gevestigde praktijk, transcribeer ik alle
kapitalen als kapitaal en alle onderkastletters als onderkastletters,
ongeacht hun relatieve grootte. Dit is verreweg de simpelste manier; men
hoeft nooit het hoofd te breken over het al of niet reduceren van een
letter. Reductie tot een korte titel kan dan altijd nog.
Het onderscheid in lettertype wordt niet weergegeven en Gotische
interpunctie wordt in Romeinse omgezet. Ligaturen worden opgelost.
Het regeleinde wordt aangegeven met een enkele rechte streep en het
einde van de pagina met een dubbele rechte streep.
Alle eigenschappen die niet tot de tekst behoren worden tussen rechte
haken omschreven.
Bij pagina's in meer dan één kleur wordt eerst tussen
rechte haken aangegeven hoe de afwijkende kleur gemerkt is. B.v. [in
zwart en rood], waarna al het rood op deze manier onderstreept
wordt.
Van de gegraveerde titelpagina of titelprent geef ik alleen de tekst
weer, met indien bekend de naam van de ontwerper en/of
graveur tussen rechte haken. De gegraveerde titelpagina onderscheidt zich
van de titelprent, doordat deze wel de boekverkoper vermeldt.
Wanneer er geen titelpagina is, maar het werk wel compleet is, wordt de
titelkop, of het eerste gedeelte van de tekst getranscribeerd.
3. Het colofon
Voor de transcriptie van het colofon geldt hetzelfde als voor de
titelpagina's. In deze bibliografie komt echter nergens een colofon
voor.
4. De opbouwformule
Bij de opbouwformule geef ik eerst het bibliografisch formaat met een
dubbele punt. Daarna geef ik de reeks katernen met het aantal bladen als
exponent. De opbouw is die van het ideal copy; incidentele afwijkingen in
exemplaren vindt men aldaar vermeld. Van een regelmatige reeks katernen
wordt alleen het eerste en het laatste genoemd, verbonden door een
streepje. Een reeks is regelmatig wanneer de katernen regelmatig
opklimmend alfabetisch gesigneerd zijn (het alfabet zonder de letters J,
U, W), en bovendien alle evenveel bladen hebben. Bij een dubbel alfabet
wordt de signatuur letterlijk overgenomen. Komt een exact gelijke
signatuurreeks tweemaal voor, dan krijgt die reeks een rangnummer als
exponent vóór de signatuur; dus: AZ8,
AaZz8, 2AL8. Tussen de
onderdelen van de formule staat een komma.
Ontbrekende bladen, verbeterbladen en toegevoegde bladen worden direct
na het katern waarin zij voorkomen tussen ronde haken aangegeven. Bij
ontbreken gebeurt dat met een minteken: b.v. AC4,
D4( D2), EP4. Bij verbeterbladen is dit
een ±-teken: b.v. D4(±D3) betekent dat het
oorspronkelijke D3 blad is vervangen. Toegevoegde bladen worden
aangegeven door een plusteken na de aanduiding van het blad waarop
ze volgen: b.v. F4(F2+#) betekent dat er een ongesigneerd blad
volgt op blad F2 van het overigens regelmatige F katern.
Nietalfabetische tekens uit het voorwerk worden exact zo
overgenomen. Niet gesigneerde bladen of katernen in het voorwerk geef ik
weer met het teken @ ter vervanging van het conventionele Griekse teken
pi. Niet gesigneerde bladen op een andere plaats in de reeks worden
aangegeven met het teken #, waarvoor normaal de Griekse chi wordt
gebruikt.12 Wanneer een dergelijk teken meerdere keren
gebruikt moet worden, krijgt het een rangnummer, conform aan de normale
signaturen.
De signatuurreeks wordt afgesloten met een punt.
Op een nieuwe regel vindt men vervolgens tussen rechte haken de formule
die aangeeft welke bladen van de katernen werkelijk een signatuur dragen.
Achter een dollarteken staat het modale aantal gesigneerde bladen per
katern, waarna tussen ronde haken alle afwijkingen worden opgesomd,
gescheiden door een komma. Derhalve betekent [$5 (*1, *2, +N6,
O5)], dat van alle katernen de eerste vijf bladen gesigneerd zijn,
met als uitzondering de bladen *1, *2 en O5, die geen signatuur dragen,
en het blad N6, dat tegen de regel in wèl gesigneerd is. De
afwijkingen worden, i.t.t. het gebruik, gegeven in de volgorde waarin ze
in de katernreeks voorkomen. Dit doe ik, omdat het veel gemakkelijker is
bij het collationeren. Op een nieuwe regel staan vervolgens alle pagina's
genoemd die een foutieve signatuur dragen. Ze zijn voorzien van het teken
±, wanneer het blad zowel foutief als correct gesigneerd voorkomt.
Deze afwijkingen zijn voor de overzichtelijkheid in kolommen
geplaatst.
5. De paginering of foliëring
Hier wordt eerst het aantal bladen gegeven, gevolgd door een komma, de
soortaanduiding van de nummering, en het teken =. Hoewel het aantal
bladen eigenlijk een onderdeel is dat bij de opbouw van het boek behoort,
vermeld ik dit hier, ter controle op de cijferreeks. Van de pagina's of
folia die niet genummerd zijn geef ik het aantal tussen rechte haken,
behalve wanneer zij in een regelmatig oplopende reeks thuis horen. In dit
laatste geval wordt de reeks aangevuld. De aanvullingen zijn herkenbaar
aan de cursivering. Van regelmatig oplopende reeksen wordt alleen het
eerste en het laatste nummer genoemd, ook als de reeks incidenteel
gestoord wordt door een foutief nummer. Zo betekent "108 bladen,
gepagineerd= [8], 126, 2728, 29180, 181,
182213, [3]." dat van de 216 pagina's de eerste acht geen nummer
dragen, dat de pagina's 1 tot en met 26, 29 tot en met 180, en 182 tot en
met 213 behoudens wellicht een enkele afwijking regelmatig genummerd
zijn. De pagina's 27, 28 en 181 dragen geen nummer, maar passen wel goed
in de reeks. De laatste drie pagina's zijn ongenummerd. De onderdelen van
de paginaformule zijn gescheiden door een komma.
Op een nieuwe regel zijn de incidentele afwijkingen opgesomd, die niet
in de formule verdisconteerd zijn. De paginanummers die zowel foutief als
correct voorkomen, zijn gemerkt met het teken ±. Ook hier heb ik
voor de overzichtelijkheid kolommen gemaakt.
6. De posities van de katernsignaturen
Hier vindt men een lijst van de posities van alle aanwezige
katernsignaturen, indien die met enige zekerheid te noteren zijn. Wanneer
er meerdere posities geconstateerd zijn, worden die allemaal gegeven. Van
pagina's die foutief gesigneerd zijn, wordt, om verwarring te voorkomen,
eerst de juiste signatuur tussen rechte haken genoemd.
De positie wordt aangegeven, door een deel van de onderste tekstregel te
citeren, en daarvan die posities te onderstrepen, waaronder de signatuur
zich bevindt. Een spatie wordt met het teken ^ weergegeven.
Hierbij stuiten we op een probleem dat de automatisering met zich
meebrengt. Met een computer zijn redelijkerwijs alleen gehele spaties of
karakterbreedten te registreren. Wanneer een signatuur tot halverwege
onder een letter komt, is dit niet goed weer te geven. Men kan nu twee
dingen doen: de posities met de hand noteren, of de posities afronden op
gehele karakterbreedten. Het voordeel van het eerste is natuurlijk de
nauwkeurigheid. Mij is echter gebleken ik heb in eerste instantie
alle beschrijvingen met de hand gemaakt dat een verschuiving van de
katernsignatuur niet steekt op een fractie van een letterbreedte. Wanneer
deze verschoven is, scheelt het veel meer. De nauwkeurigheid wordt
trouwens een stuk minder, wanneer men met de hand een volgende versie van
de beschrijving moet maken. Afwijkingen zijn in dit transcriptieproces
haast niet te voorkomen. Ik heb dus, evenals de medewerkers aan de STCN,
gekozen voor een afronding. Bij de STCN onderstreept men die letters, die
in hun geheel door de signatuur onderschreven worden. Dit leidt echter
tot problemen. Het komt regelmatig voor dat een signatuur tussen twee
letters in staat en beide voor de helft onderschrijft. Volgens de
afronding van de STCN zou die positie dus niet te noteren zijn. Zij
hebben dit opgelost, door in die gevallen niet naar beneden, maar naar
boven af te ronden. Ik wil deze inconsequentie omzeilen en rond in alle
gevallen naar boven af.
7. De inhoud.
Bij de inhoudsopgave vindt men een uitputtende lijst van alle in het
boek te onderscheiden onderdelen. Hiertoe behoren ook blanco bladzijden
en titelpagina's. Ook de overkoepelende titel van een groep teksten wordt
genoemd, evenals de slotpagina van lange teksten. Wanneer binnen een
tekst kleinere, min of meer op zichzelf staande teksten voorkomen, worden
ook die vermeld en door inspringen wordt duidelijk gemaakt binnen welke
grotere tekst ze vallen.
Eerst wordt met behulp van de katernsignatuur de pagina aangeduid waarop
het te noemen onderdeel zich bevindt of begint. Als het onderdeel geen
tekst is, wordt het tussen rechte haken omschreven, b.v. [blanco]. Van
alle teksten wordt eerst de titel gegeven, dan, op een nieuwe regel, een
eventuele wijsaanduiding, hierna een eventuele ondertekening of andere
relevante informatie tussen rechte haken en tenslotte de eerste
tekstregel gemerkt met een plusteken.
Het is wellicht ongebruikelijk om ook bij prozastukken die aanvangsregel
te geven. Hier zijn echter drie redenen voor. Ten eerste zou men voor de
ontsluiting voor proza en poëzie twee verschillende hoofdindices
hebben. Bij onzekerheid over de aard van de tekst, men kent die b.v. niet
in z'n geheel, zal men twee keer moeten zoeken. Ten tweede is vaak de
titel van het prozastuk te stereotiep om de teksten te kunnen
onderscheiden. Een titel/aanhef als "Waerde vriend" komt vele malen voor.
Ten derde zijn er prozastukken die gedurende het overleveringsproces van
titel wisselen, b.v. de tekst die in BF18 "Voorreden" heet, heeft in
BF21 de titel "Aen den leser".
Titel, wijsaanduiding en eerste tekstregel zijn letterlijk overgenomen
uit het onder het kopje genoemde exemplaar. In het geval dat het
noodzakelijk was hiervoor meerdere bronnen te gebruiken, b.v. in het
geval van verbeterbladen, is dit ook daar vermeld. In deze gevallen is
die inhoud van het originele blad met een superscript "a" gemerkt, en die
van het verbeterblad met een superscript "b".
Het letterlijk overnemen houdt in dat kapitalen met kapitalen zijn
weergegeven en onderkast met onderkast. Dit is in de praktijk wel zo
eenvoudig en levert een extra referentiepunt op voor een
kopijdrukrelatie. De regeleinden zijn niet aangegeven. Ligaturen
zijn opgelost en de enkele keer dat het Duitse 'ringel s' voorkwam, is
die weergegeven door "ss".
8. Aantal tekstregels.
Hier geef ik het aantal tekstregels van een normale volgezette pagina.
De kopregel, het paginanummer, de custode en de signatuur worden niet
meegeteld. Daarbij wordt tussen ronde haken aangegeven op welke pagina de
regels geteld zijn.
9. Gecollationeerde exemplaren.
De volgorde van de exemplaren die hier gegeven worden, is alfabetisch
naar bewaarplaats. Bij meerdere exemplaren in een collectie komt die met
de laagste signatuur eerst. Deze rangschikking is natuurlijk volstrekt
arbitrair. Een exemplaar is dus volledig gedefiniëerd door het
editienummer samen met het volgnummer. Zie voor de nummering ook de
afzonderlijke paragraaf daarover.
Verder wordt hier alle informatie verstrekt die specifiek voor het
exemplaar geldt, zoals een afwijkende opbouw, beschadigingen, een
olimsignatuur en provenancegegevens.
10. Niet gecollationeerde exemplaren.
Hier wordt op dezelfde manier een lijst gegeven van exemplaren die niet,
of slechts ten dele zijn gecollationeerd. Dit is het geval met exemplaren
in niet bezochte bibliotheken en exemplaren in wèl bezochte
bibliotheken, waarvoor geen tijd meer beschikbaar was. Deze exemplaren
hebben een nummer gevolgd door een N, ter onderscheiding van wel
gecollationeerde exemplaren. Ik heb opzettelijk de exemplaren niet
doorgenummerd, omdat ik van sommige exemplaren niet zeker kan zeggen of
ze wel tot die editie behoren waarbij ik ze vermeld. Dit is te zien aan
een vraagteken achter de signatuur. In geval van twijfel heb ik het
exemplaar bij al die edities vermeld, waartoe hij zou kunnen behoren.
Door nu de exemplaren in deze rubriek met een N te merken, kan men aan
het nummer zien of een exemplaar al dan niet zeker tot een bepaalde
editie behoort.
Van exemplaren die ik niet langs systematische weg op het spoor ben
gekomen, noem ik de bron waarin ik hem heb gevonden.
11. Varianten.
Onder dit kopje worden de varianten gegeven per staat van de drukvorm.
Wanneer er totaal is gecollationeerd, vermeld ik dat uitdrukkelijk. In
andere gevallen is er partieel gecollationeerd. Ook wanneer er geen
varianten zijn gevonden wordt dit vermeld.
De indeling per drukvorm is gemaakt met behulp van het overzicht daarvan
in Gaskells A new introduction to bibliography. De verdeling over
staten is weergeven op de manier van Verkruijsse: een onderkastletter per
vorm en een Romeins cijfer per staat. Hoe hoger het Romeinse cijfer, hoe
later de staat. (Tenzij ik anders vermeld.)
Bij de staten wordt, door middel van de volgnummers van die exemplaren.
aangegeven in welke exemplaren zij voorkomen.
12. Commentaar.
Hier kan men een grote variëteit van gegevens aantreffen. Doorgaans
over de kopijdruk verhouding, of de moeilijkheden bij het
vaststellen hiervan. Opmerkingen over de inhoud van het boek en, indien
voorhanden, gegevens over de verkoop ervan.
Wat men hier niet zal vinden is de verwijzing naar andere literatuur,
waarin het boek beschreven is (i.c. Marguc). Ik hoop met mijn
beschrijving de vorige overbodig te maken.
Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 7 april 1997.
U kunt mij via E-mail bereiken op:
j.helwig@wxs.nl.