|
|
Willem Godschalck van Focquenbroch werd op 26 april 1640
gedoopt in de Oude Kerk te Amsterdam. Zijn vader Paulus van
Focquenbroch kwam uit een Antwerpse familie van kleine
kooplieden, zijn moeder Catharina Sweers was de dochter van een
uit Antwerpen afkomstige 'huystimmerman'. Janneke en Paulus jr.,
oudere kinderen uit dit huwelijk, zijn waarschijnlijk jong
gestorven. Willems jongere broer Jacobus vestigde zich later als
arts te Alkmaar.
Focquenbroch sr. moet een redelijk bemiddelde handelaar zijn
geweest. Zo kocht hij in 1644 'De Zilveren Doornenkroon', een
huis aan de Anthonisbreestraat (het vijfde vanaf het huis van de
schilder Rembrandt), voor 9800 gulden. Later kwam hij
waarschijnlijk in liquiditeitsproblemen, want in 1649 wordt door
de Desolate Boedelskamer een acte opgemaakt van de boedel van
'Paulus van Fockenburgh'. 1
In 1650 moest hij ook het huis weer verkopen. Het bracht toen
10.720 gulden op. Hierna woonde de familie op de Oudezijds
Voorburgwal en later op de Singel. Beide ouders overleden in
1666.
Over Focquenbrochs schoolopleiding zijn niet veel feiten
bekend. Wellicht heeft hij de Latijnse school van Jacobus
Heyblocq, die een verre verwant van hem was, bezocht.
Focquenbroch schreef ook in zijn Album Amicorum 2. Een van zijn bijdragen is het gedicht
'Aen Mijn Heer Jacob Heijblock; Op sijn versoeck om een
Vaersjen' dat met kleine wijzigingen op p. 86 van de
Afrikaense Thalia te vinden is.
|
Hoewel er geen inschrijving aan die universiteit
gevonden is, moet Focquenbroch aanvankelijk in Leiden
zijn gaan studeren. Hij deed dit als bursaal van het
'Fonds Rombouts' aan het Waals college. H.J. de Jonge
heeft dit aangetoond aan de hand van de Disputatio
Theologica De Promissis V[eteris].T[estamenti]. die
Focquenbroch 30 maart 1661 bij Hoornbeek hield. 3 In deze
disputatie verdedigt Focquenbroch de orthodoxie tegen
het Socinianisme. Opmerkelijk is verder dat
Focquenbrochs peetoom, Godschalck van Halmale,
uitdrukkelijk als een van de aanwezigen wordt vermeld
("Nobilissimo, Spectatissimo, Generosissimoque
Viro").
Op 29 maart 1662 schrijft Focquenbroch zich in bij de
universiteit in Utrecht, waar hij 10 juni van het
zelfde jaar al bij Regius promoveert tot doktor in de
medicijnen. Zijn proefschrift droeg de titel De lue
venerea (Over geslachtsziekte), in die jaren een
gangbaar onderwerp voor een medische dissertatie. Van
deze disseratie is tot dusverre geen exemplaar bekend.
|
Focquenbrochs vriendenkring is nog niet afdoende onderzocht.
Enkele gedichten zullen voor studievrienden van hem
geschreven zijn, zoals Johannes van Bersingen (wellicht de
Dr. Jan op p. 76 van de Afrikaense Thalia) en Johannes
van Royen. Volgens de 'Voor-reden' in de Afrikaense
Thalia was Focquenbroch ook bevriend met Aernout van
Overbeke. Zijn beste vriend was zonder twijfel Johannes
Ulaeus, die hierna nog aan de orde zal komen. Verder moet hij
een meer dan zakelijke band gehad hebben met de boekverkoper
Johannes van den Bergh, zijn uitgever. Hij wijdde enkele
gedichten aan hem en zijn vrouw Johanna Wasteliers. De
gedichten die Focquenbroch voor Maria van Sypesteyn schreef,
die uit een aanzienlijk geslacht kwam, spreken echter het
meest tot de verbeelding. 4 Een vriendschapsband met Constantijn
Huygens, aan wie de brief op p. 128 van de Afrikaense
Thalia is gericht, is vrijwel uitgesloten.
Over een eigen praktijk van Focquenbroch zijn geen gegevens
bekend. Pas in 1668, twee jaar na de dood van zijn ouders,
heeft Focquenbroch aantoonbaar inkomsten als armendokter in
dienst van de diakonie. Hiermee verdiende hij f 150,- per
jaar. Wanneer Focquenbroch alleen hiervan heeft moeten
rondkomen, zal hij zich nauwelijks in leven hebben kunnen
houden.
Inmiddels waren enkele van zijn literaire werken
gepubliceerd. In 1663 verscheen De verwarde jalousy,
een bewerking van Molière's succesvolle Sganarelle
ou le cocu imaginaire uit 1660, door Focquenbroch
kennelijk voor de schouwburg gemaakt. Daar ging het stuk in
première op 23 april 1663.
De bruiloftsstukken De klucht van de weyerey en
Klugt van Hans Keyenvresser zijn, hoewel ze het jaartal
1665 dragen, waarschijnlijk al in 1664 verschenen. Deze
kluchten zijn opgenomen in de bundel Thalia, of geurige
sang-goddin die op 20 december 1664 in de winkel lag,
eveneens met het jaartal 1665. De Thalia werd uitgeven
door Johannes van den Bergh, die verder alle bij het leven
van Focquenbroch verschenen werken verzorgde. 5 De titel van
deze bundel kan men als programmatisch beschouwen: Thalia is
de muze van de komedie en 'geurige', d.w.z. geestige,
dichtkunst. Hij bevat een burlesk episch gedicht (de
bewerking van Scarons 'Typhon'), bruiloftsdichten, gedichten
die een geschenk begeleidden, burleske en petrarcistische
lyriek, overpeinzingen, puntdichten, (rijm-)brieven en
liedjes, zowel in het Nederlands als in het Frans. De liedjes
zijn contrafacten: nieuwe teksten op bekende melodieen. Die
melodie werd d.m.v. haar benaming of de eerste regel van een
bekende tekst op die melodie aangegeven. De latere
Thalia's hebben een soortgelijke inhoud.
In 1665 viel de bisschop van Munster de Republiek binnen.
Ter gelegenheid hiervan verscheen het pamflet Den
Munstersche trommel-slagh, op den Hollandschen toon,
waarin wordt gesteld dat de Hollandse ketters nu eens flink
aangepakt zullen worden. Hierop reageerde Focquenbroch met
Een Hollandsche vuyst-slagh, op een Brabandsche koon.
Zo was ook het verslaan van de Engelse vloot in 1666 voor
Focquenbroch en zijn vriend Johannes Ulaeus aanleiding om een
Verdubbelt zegen-sangh, der negen musen te schrijven.
Ulaeus bezingt hierin de dapperheid van de Hollanders en
Focquenbroch maakt met behulp van dezelfde rijmwoorden de
Engelsen belachelijk.
Johannes Ulaeus werkte ook mee aan een vertaling c.q.
bewerking van Vergilius' Eclogae die onder de titel
De herders-sangen van Virgilius Maro in 1666
verscheen. Wederom nam Ulaeus het serieuze deel voor zijn
rekening. Hij maakte een gewone vertaling, terwijl
Focquenbroch de zangen in burleske stijl bewerkte.
Op 7 augustus 1668 kwam een nieuwe bundel uit, Thalia, of
geurige zang-goddin, tweede deel, even later gevolgd door
een herdruk van de eerste (op 25 augustus). In deze tweede
bundel zijn de Munstersche trommelslag en de
Hollansche vuyst-slagh opgenomen en tevens Focquenbrochs
aandeel in het Verdubbelt zegen-sangh. Focquenbroch
zelf had toen echter het land verlaten. Na sollicitatie bij
de Amsterdamse kamer van de West-Indische Compagnie had hij
op 23 april de functie van fiscaal gekregen, een soort
douane-ambtenaar en commisaris van politie. Zijn voornaamste
taak was het opbrengen van de zogenaamde 'lorredraaiers',
schepen die handel dreven in strijd met het monopolie van de
W.I.C., en verder moest hij de orde onder het personeel van
de W.I.C. handhaven. De verdiensten waren goed en er was een
aantrekkelijke premie van 1/3 van de geconfisqueerde
goederen. Dit laatste was voor Focquenbroch een belangrijke
reden om dit ambt te ambieren. Zijn standplaats aan de kust
van Guinee was het voormalige Portugese fort 'Saô Jorge
da Mina' dat later 'Elmina' genoemd werd. Hier was hij, zoals
hij zelf zei "de tweede persoon van een kleyn koninckrijk",
in rang direct onder de directeur-generaal.
Klik hier voor meer over Elmina.
|
Op 17 juli 1668 vertrok Focquenbroch met het schip 'De
Gideon' van Texel naar Elmina. Zijn neef Philip van
Heeden, die al eerder als koopman in de kolonien had
gewerkt, vergezelde hem. Uit de brieven die hij vanuit
Guinee schreef, blijkt dat Focquenbroch zich erg
eenzaam voelde, vooral na de dood van zijn neef Philip
begin 1669. Ziektes waren aan de orde van de dag in
Elmina en Focquenbroch moest regelmatig voor andere
functionarissen invallen. In de maanden april tot en
met juli van het jaar 1670 woedde er een hevige
epidemie in de handelspost. Van deze epidemie is
Focquenbroch hoogstwaarschijnlijk ook het slachtoffer
geworden. Er zijn aanwijzingen, dat Focquenbrochs
overlijden in een missive die op 14 juli 1670 gedateerd
was aan de W.I.C. werd gemeld. De missive zelf is
echter verloren gegaan.
|
|
|
View of Elmina by Friere 1546. St.
George's castle was built in 1482-6 by the Portuguese,
who were the first European builders in West Africa. It
is the largest of the fortified buildings on the coast.
(Portugaliae monumenta cartographica, I,
75.)
|
|
|
Uit: Willem Bosman Nauwkeurige
beschryving van de Guinese Goud-, Tand- en Slavekust,
nevens alle desselfs landen, koningryken, en
gemenebesten: van de zeeden der inwoonders, hun
godsdienst, regeering, regtspleeging, oorlogen,
trouwen, begraven, enz. Mitsgaders de gesteldheid des
lands, veld- en boomgewassen, alderhande dieren, zo
wilde als tamme, viervoetige en kruipende, als ook 't
pluim-gedierte, vissen en andere zeldzaamheden meer,
tot nog toe de Europeërs onbekend. Amsterdam:
Isaak Stokmans, 1709. Gravure bij pagina 44.
|
Uit deze tijd stamt het portret van
Dirck Wilre, generaal namens de W.I.C. op Elmina, waarop
waarschijnlijk ook Van Focquenbroch is afgebeeld.
In april 1674 verscheen posthuum het blijspel Min in't
lazarus-huys, een bewerking van Lope de Vega's Los
locos de Valencia. De tekst moet al eerder in Amsterdam
gecirculeerd hebben, want hij kwam op 10 december 1669 ter
tafel tijdens een bijeenkomst van het letterkundig
genootschap 'Nil Volentibus Arduum'.
De derde en laatste bundel van Focquenbroch werd in 1678
uitgegeven, namelijk de Afrikaense Thalia, Of het derde
deel van de geurige zang-godin. In de latere
verzameledities, met name Alle de wercken uit 1679 en
Alle de werken uit 1696 die door Abraham Bogaert
verzorgd werd, komen nog enkele nieuwe teksten voor, die
echter voor een groot deel niet van Focquenbroch zijn.
In de zeventiende en achttiende eeuw was Focquenbroch een
bekend auteur. Zijn werken werden vele malen herdrukt, vooral
de Min in't lazaru-huys, dat ook in de schouwburg nog
lange tijd succes had. Men zag hem in de eerste plaats als
een 'geestige' dichter. Hij was degene die de burleske
dichttrant, waarbij men een hoogdravend onderwerp in een
alledaagse stijl behandelt, in de Republiek bekend maakte.
Focquenbrochs belangrijkste voorbeeld was de Franse dichter
Paul Scarron (1610-1660). Enkele werken van Focquenbroch zijn
bewerkingen van een origineel van Scarron, die bijvoorbeeld
ook een travestie van de Aeneis geschreven had.
|
Het is ook deze schatplichtigheid aan Scarron die de
inleider van Aernout van Overbeke's Geestige
werken Focquenbroch verwijt: "Fockenburgh soude
veel meer gedaen hebben, indien sijn Reusestrijdt, en
het eerste boeck van den Aeneis van Virgilius
uyt sijn eygen inventie ghesprooten waren, die doch wel
het voornaemste gedeelte van sijn geheele Thalia
uytmaken." Uit de kontekst blijkt echter dat hij een
auteur is die naast Bredero en Coster niet ongenoemd
kan blijven. 6 Ook Arnold Moonen vergelijkt
Focquenbroch in zijn lofdichten voor het Tweede
deel van Thalia met Bredero en noemt hem een
"Duitsche Martiael". Marguc poneert in zijn
proefschrift dat Focquenbrochs werk vooral een jong
publiek met een hogere opleiding heeft
aangesproken.
De geestige kant van Focquenbrochs werk heeft de
serieuze en petrarcistische kant altijd overschaduwd.
In de negentiende eeuw raakte hij wegens zijn platheid
in ongenade. De herwaardering kwam begin deze eeuw op
gang, maar zette pas na de oorlog door. Tot een
volledige uitgave van zijn werk heeft dit echter nog
niet geleid.
|
Noten
-
1)
-
Ik werd hierop attent gemaakt door Jaap van der Veen. De
inventaris (Gemeentearchief Amsterdam, Arch.nr.5072,
inv.nr.355, fol.25-29, dd 20 augustus 1649) vermeldt o.a.
diverse portretten, o.a. van Focquenbroch sr. en zijn
vrouw, '2 dito op sijn Rus gedaen', een ander portret 'op
sijn harderins gedaen', en nog 'een schilderey van de
huysvrouw van Fockenburch, jonck sijnde gedaen'. De
Focquenbrochs zullen dus aanvankelijk inderdaad een
bemiddelde familie zijn geweest.
-
2)
-
's-Gravenhage: Koninklijke Bibliotheek 131 H 26. P. 90.
Zie ook: C.W. de Kruijter: 'Jacobus Heyblocq's album
amicorum.' In: Quaerendo 8 (1976), p. 110-153, en
de facimile op deze
website.
-
3)
-
Paul Dijstelberge vond deze onbekende disputatie in de
Universiteits Bibliotheek in Amsterdam. Zie BF0a in de bibliografie en ook het
bericht op de website van de UB.
Het artikel van H.J. de Jonge over deze disputatie is te
vinden in Fumus
1 (2003), afl. 1. Pagina 2-15..
-
4)
-
W. Marguc: Willem Godschalck van Focquenbroch,
Ergänzende Prolegomena. Pp. 135-179.
-
5)
-
Van Een Hollandsche vuyst-slagh is dit niet
zeker.
-
6)
-
Naar deze passage wordt op p. 4v van de de Afrikaense
Thalia verwezen.
|