Aen de Heer P.H.MYN HEER,DE hedendaegse opsichtige uytsporigheden der liefde hebben my verplicht de selvige toe te passen de rinckelstoel in 't Lazarus-huys; het sal u E. mogelijck vreemt dunken, dat ick u E. opdrage mijn geckespel, en lichtelijck ingenomen met een belghzucht, dat Marten en Klaes voor uw oogen vertone; maer vermits sy daghelijx de Stadt doorkruyschen, en langhs straten en wegen het oogh der wijsten doen stilstaen door de vrouwen, die sy aenrandende kussen, haer gebaerden so doen uytmunten, dat de voor by ganger by sich selfs moet meesmuylen, en klaer sien de geckheyt des werelts, dat sy selfs in haer redenloosheit de stralen van genegentheyt tot een vrouwe in harsenloosen doet uytschitteren als in vervoerde minnaers; foo dat sommighen soo verre komen, dat sy des nachts de hecken opklauteren, om de rustplaets van een bevalligh schepsel te begluiren; waer in de tochten die het verstant bestrijden, soo verre komen, dat sy sich selver inbeeldende genegentheyt te raken van elck een die sy na sporen. Ick hebbe goet gedacht (gelijck Erasmus sijn lof der sotheyt opgedragen heeft aen de scherpsinnighste verstanden des werelts) geen beter beschermheer van mijne Min in't Lazarus-huys te sullen vinden, als de wijt-vermaerde naem van u E. door uwe voorsaten soo in artsenyen, als door u in vergaer plaetsen, en saletten der Jofferen verheven; Ick hebbe in mijn tijdt eer ick de dorpere kust van Guinee, (doch aengenaem door haer Goutmijn) besochte veel in Genees-kunst gesien, en een tal van wel geboorde mannen weynig behaeght, vermits gesien heb dat de wereldt in gecken bestaende niet wel te vernoeghen is in die armste broeders der verstanden; ick hebbe niet minder in saletten der jongezellen veel uytsporigheeden der liefde gesien, die my stoffe geven met Democrites alles te belachen, tot ick eyndelijck na de andere werelt op een vergunde hoop van een hooger geluck gestegen in het aengesichte det Swarten mijn ooge verlustede in een getaende verwe; soo heeft de quaetwillige Fortune met my getobbelt, tot ick eyndelijck geen tegen tegengift vindende voor de tirannyen der liefden my hebbe overwonnen gevonden van haer trouloosheyt; des ick u E. versoecke mijn nagelatene kluchtspelen te erkennen als u E. eygen, de selvigen te verdedigen, gelijck een bequaem voorvechter tegen de lasterende werelt, en voornamentlijck tegen de de Messieurs Nil volentibus arduum, die, gelijck sy de Parnas, in roer stellen, veel op mijn Min in 't Lazarus-huys met berisping sullen voltiseren, maer soo u E. naem niet de pijne waert acht haer te bekibbelen soo wijstse na Joris-vaer. Onderwijlen my bevindende verplicht aen u E. persoon ten hooghsten, sal by mijn aflijvigheyt u E. toevertrouwe de opsicht van den bengel in de rinckelstoel en Min 't Lazarus-huys, wn soo sy mochte te voorschijn komen op eenigh tooneel; beveele u E. persoon de nootsaeckelijkckheyt tot alles, waer op my verlate Aen de goutkust in Guinee. W.G.v.F. Aen den Leser of Aenschouwer.Het ooghmerk van dit spel is niet om met de redelijcke, maer met de redeloze min te spotten: de redeloose Min te spotten: de redeloose Min die schier oorsaeck is van alle sotternyen die der in de Weerelt begaen worden. Don Quevedo heeft in sijn Spaansche Droomen, te sijnen tyde, al lang een huys van verliefde sotten opgereght, soo dat het soo onghehoorde saecke niet en is, dat onsen Poeet hier Cupido sulcken sleghten troon in 't Lazarus-huys toegestelt heeft. 0 neen! sijn sotten grillen maecken hem soo treffelijke setel waerdigh, ghelijck hij selfs in de Voorreden van dese Comedie genoeghsaem bewijst. Besiet oock het spel en het sal u redenen genoegh verschaffen. Ferdinand door al te dwasen min tot jalousy vervoert, komt in 't gevaer sijns levens, is gedwongen sich onder een sot gewaet in 't sothuys (sich dwaes veynsende) te versteecken; een sotte minnedrift dwingt hem niet alleen een sottin te minnen, maer haer sijn misslag te openbaren, by na tot sijn berderf. Isabel, ontvlughtende een redelijcke min komt in een oogenblick tot de grootste elende en vervalt tot de liefde van een sot, die haer talleloose sotternyen doet begaen. Juffrouw Anna, met haer meyt Catrijn worden beyde door de liefde van een dwaes tot veel buyten sporige dwaesheden gedreven. Reynoud door sijn jalousy helpt zijn heele stadt in een valsch rumoer, sijn kneght in 't gevaer sijns levens, sijn vryster in groote bekommeringe, en sijn huys in een beklaegelijcke rouw. Speelende Persoonen.
Het spel speelt voor, en in 't Lazarus-huys van Amsterdam, spelende van den eenen avondt tot den anderen. De Min in 't Lazarus-Huys. Blyspel.Cupido doet de Voor-Reeden. Sittende in een Stoel met Rickels, in Sots Kleeren, met een blicke Slabbe voor.GHy Troep van Juffers, en van Heeren! Die andersins mijn slaven bend. Ick souw schier wel derven sweeren, Dat ghy uw Meester niet meer kendt. Wie meendt ghy dat hier sit te kijcken? Wie meendt ghy, dat ghy in dees Kap, En in dees Rickel-stoel siet prijcken? Geharnast met dees Blicke Slabb? Ick weet wel, dat ghy noyt versinnen Noch dencken sult met uw verstandt, Dat ghy den Grooten God der Minnen Hier siet in 't Lasrus-huys geplant: Maer evenwel, al lijcken 't droomen, Ick ben het selver, dat ghy 't weet: Doch hoe ick hier toe ben gekoomen, Vraegt dat allenigh den Poëet Die dees Comedie doet vertoonen; Vermits dat hy (wijl dat hy sweert Dat door langh in sijn Buurt te woonen, Hy mijn Natuur wel heeft geleert) My voor so geck, en Sot, derft schelden, Dat hy, als per playsier quansuys, Op 't lest my by de Sotten stelde, In 't Amsterdamsche Lasrus-huys. 'k Beken, ick ben geensins de wijste, Schoon ick een God ben; Maer, wat raed? Ick sie, dat dickwils d'aldergrijste De grootste Sotheyt wel begaet; Ben ick dan daerom te veragten, Een jongen sijnde, als ick ben? Wanneer de luy van myn verwagten, Meer Wijsheyt, als ick geeven ken? De Kinders wercken Kinder geuren; De Sotheyt is een Eygenschap, Die van de jeugt niet is te scheuren, Want yeder draegt sijn Narre-Kap. My daerom, die t' gebied der harten Van al de jeugt is toevertrouwt, My wijdt men al die Sotte parten, Die daegelijcks de jonckheyt brouwt: En 'k weet, men wijt se my met reeden, Mits ick mijn selven Oorsaeck vind, Van hondert duysent Sottigheeden, Die ick doe doen, aen die bemint. Hoe vaeck doe ick een Party gecken, Uyt Sotte Raserny alleen, Haer hayr uyt Kop en Kneevels trecken, Door 't loopen van een Blauwe Scheen? Hoe vaeck doe ick 'er een verlieven? Die 't minnen in gedagten pleegt, Of met een tal van Sotte Brieven, Daer sijn Matres haer Poort aen veegt. Hoe vaeck doe ick een Sots-Kap draven? Voor by een huys, daer 't alles rust, En elck al leyt in slaep begraven, Wijl hy de Stoep of Klopper kust. Hoe dickmaels doe ick Serenades Op saegen, voor een Sotte sloor? Die, spijt Couranten, en Ballades, Al leyd te roncken op een Oor. Hoe dickmaels doe ick hayr, en locken, Besmeurt, beplackt, en stijf van Gom, Of uyt gevallen door de pocken, Bewaeren voor een Heyligdom? Hoe vaeck heb ick een Party Dwaesen, Tot teecken van haer Sotte brandt, Een tal van Fluyten, en van glaesen, Doen kauwen na haer ingewandt? Hoe vaeck heb ick een Sot bevoolen, Gestijft door dwase Minne-vlam, Te suypen uyt gelâen Pistoolen, Op de gesontheyt van Madam? Terwijl een ander, meenigmaelen, Als hem die selfde drift bekruypt, Uyt Pispot, en uyt Urinalen, Een Sotte sloofs Gesontheyt suypt. Een ander, sijn Matres ter eeren, Smijt, door een al-te-dolle kuur, Sijn Wambais, Broeck, en Hoedt, en kleeren, En al den Preutel op het Vuur. Een ander maeckt weer andere geuren; Die ligt de Rymer van dit Spel, (Vermits sy alle daegh gebeuren) Souw kunnen noemen, buyten tell. Gelijck, wanneer men by de Vrinden Hier ligt eens om vroegh by de Rey, Men ligt hier wel souw Zielen vinden, Die 't beeter weeten noch als hy. Dies ist om deese fraeye saecken. (Waer van hy my als Baes uytscheldt) Dat hy my heeft dees stoel doen maecken, En hier in t' Lasarus-huys gesteld; Om u altsaemen te doen weeten, Of hy mijn Geck, en Sot dorst heeten, Met al wat leeft in mijn gebiedt. Of my dees vodden dan niet passen, En al dit Lasarus-livrey, Als of k'er was in opgewassen, Dat toont hy u voor eerst, in my. Terstondt, sal, om u te vernoegen, Hy u doen sien, met vreemt gedruys, Hoe sigh de Minneryen voegen In de Messieurs van t' Lasrus-Huys. Vermits hy voor heeft, u te toonen, Dat nooyt de Min, in beeter plaets, Dan in het Gecken-huys, kan woonen, En by een tal van Sotte maets. Nadien de Sotheyt, en het Minnen, So vast aen een gekoppelt sijn, Dat hy berooft moet sijn van sinnen, Of voor het minste, Sot in schijn, Die sigh tot minnen gaet begeeven; Want, of in schijn, of in der daet, Is, en de Min, en 't Minnaers leeven, Slegs puure Sotheyt, op een draet. Uyt. Sorry, deze pagina is nog in bewerking. |