|
|
Daar Johannes Ulaeus co-auteur en waarschijnlijk ook
tekstbezorger van de Afrikaense Thalia blijkt te zijn
geweest, verdient hij enige aandacht.
Johannes Ulaeus werd op 11 oktober 1640 gedoopt in de Oude Kerk
te Amsterdam. Zijn ouders, Dirck Jansz. Ulaeus en Maria Pieters
Nierop, waren oorspronkelijk afkomstig uit het oosten van het
land en hadden bezittingen in de buurt van Kleef.
Ulaeus en Focquenbroch waren dus leeftijdsgenoten. Hoe hun
vriendschap is ontstaan, kunnen we op dit moment slechts gissen.
Wellicht kenden ze elkaar van de Latijnse school. Ulaeus heeft
in ieder geval zo'n vooropleiding gehad, want in 1654 schreef
hij zich in aan de Leidse universiteit, gelijk met zijn broer
Adriaan. In eerste instantie studeerde hij daar letteren, maar
in 1659 treffen we hem te Franeker aan als student in de
rechten, vervolgens in 1660 te Leiden als filosofie-student en
tenslotte in 1665 te Utrecht als student in de theologie. Zoals
gezegd, heeft hij in deze tijd met Focquenbroch gewerkt aan het
Verdubbelt zegen-sangh en De Herders-sangen van
Virgilius
Op 30 mei 1668 werd Ulaeus ingeschreven als lidmaat van de
Hervormde Kerk te Alkmaar. Hij kwam uit Utrecht en was op dat
moment proponent, dat wil zeggen, beroepbaar als predikant. Hij
moet daarna nog een keer naar Utrecht zijn verhuisd, want in
1674 werd hij voor een tweede keer ingeschreven als afkomstig
uit die stad.
In Alkmaar was Ulaeus zeker literair actief. Hiervan getuigen
de handschriften Verdubbelde rondeelen, angaende d'oorloghs-
en staetse saecken van deese tijt, in het collegie tot
Alkmaer en Verdubbelde rondeelen angaende Huwelijken,
vrijerijen, en besondere voorvallen in allerhande gelegentheit,
in het collegij van Alkmaer die zich in het Alkmaarse
gemeentearchief bevinden6. Hierin komen 27
verschillende gedichten voor, waarvan er 5 in de Afrikaense
Thalia te vinden zijn en 10 in Focquenbrochs verzamelde
werken uit 1696. Verder verscheen in 1673 bij De Wees te Alkmaar
Ulaeus' pamflet De doodelijke na-smaek van de France
brandewijn, dat in hetzelfde verzamelde werk te vinden is.
De Wees gaf later ook de Min in't lazarus-huys uit, "Van
nieuws oversien, en verbetert, na de oprechte copye van den
autheur".
Op 16 maart 1681 werd de ondertrouw van Ulaeus met Catharina
Hensbroek aangetekend. Zij woonden toen beiden in Alkmaar. Het
huwelijk werd op 30 maart voltrokken in St. Pancras. Kort na dit
huwelijk vertrok Ulaeus naar Wamel in Gelderland, waar hij
beroepen was als predikant. In 1684 kreeg hij een betere post te
Tilburg, waar zijn broer Adriaan al sinds 1676 woonde. Ook in
zijn Tilburgse tijd bleef Ulaeus schrijven. Van zijn hand
verschenen nog Vreugde-zang, gezongen op de dank, en vierdag,
over de vrede, tusschen de koning van Vrankryk, en de Staten
Generaal (1697), Nieuwe-modischen oorlog, of Mars in
conjunctie met de Vreede (1702), treurdichten op het
overlijden van Elisabeth de Claar (1716) en Philippus Sint Amant
(1717) haar echtgenoot en
Salomons spreuken en Prediker (1736), een berijming van
deze bijbelboeken. Hij schreef tevens enkele lofdichten voor het
werk van zijn collega's Golzius en Gargon.
Ulaeus en zijn vrouw zijn tot hun dood in Tilburg blijven
wonen. Catharina Hensbroek werd begraven op 5 april 1732 en
Johannes Ulaeus op 11 december 1734. Hun vier kinderen Maria,
Diderick, Antonia en Gerbrant waren toen nog in leven. Beide
dochters waren gehuwd, Diderick volgde zijn oom op als koopman
en Gerbrant werd predikant.
Zie over deze gedichten ook "Johannes
Ulaeus". In: Ronald Peters: De Paap van Gramschap.
Tilburg, 1992. Ook op internet:
http://www.historietilburg.nl/links%20boeken/De%20Paap%20U.htm
Checklist van werken geschreven door Johannes Ulaeus
Deze checklist is op dezelfde manier tot stand gekomen als
de bibliografie van Focquenbroch, d.w.z. de gevolgde zoekweg
is identiek.
Na de eigenlijke checklist worden verwijzingen naar
gedichten in uitgaven van andere auteurs gegeven.
CU1.
Verdubbelt | ZEGEN-SANGH, | Der Negen Musen, | Over den
Gedempten Hoogh- | moed der Engelschen, | EN DE |
Triumpheerende Dapperheyt | der Hollanders. | Door W. v.
Focq. en J. Ulaeus. | [houtsnede] | t'AMSTERDAM, | Gedruckt
by Joannes van den Bergh, Boekverkooper, bezijden 't
Stadt-huys, 1666. ||
Zie dit werk in de bibliografie van Focquenbroch BF7.
CU2.
De Herders-Sangen | VAN | VIRGILIUS MARO, | In Neerduyts
gesongen, | op twee verscheydene | TOONEN. | Door I.U. en
W.v.F. | [houtsnede] | t'AMSTERDAM, Gedrukt by JOHANNES van
den BERG, | Boekverkooper, bezijden 't Stadthuys, Anno 1666.
||
Zie dit werk in de bibliografie van Focquenbroch BF8.
CU3.
De Doodelijke Nasmaek van de France Brandewijn, en de
levendige Voor-smaek van't Orangie-water. | Stemme: Sa allon,
op Dragon, &c. | [...] | I. Ulaeus. | [__] |
t'Alckmaer, Gedruckt by Pieter de Wees, Boeck-drucker en
Verkooper in de Langestraet inde Vinder van de Druck-konst.
||
Den Haag: KB pamflet 10933, door Knuttel gedateerd op 1673.
CU4.
Verdubbelde Rondeelen, angaende D'Oorloghs- en Staetse
saecken van deese Tijt. in het Collegie tot Alkmaer.
Alkmaar: GA collectie aanwinsten, nr. 375 Olim 411,
handschrift, ondertekend: "Joh. Ul. Cand. gg Thel. Alkmar.
1675 12 Januari".
Dit handschrift bestaat uit drie losse folia, die aan twee
zijden beschreven zijn. Het bevat 12 genummerde gedichten met
de volgende titels:
-
De broedermoort bij Alphen. 1674. (1r)
-
Op het bannen van Cartesius, uit Leijden. (1r)
-
Op het Erfstadtholdersschap van sijn K.H.P.V.O. (1v)
-
Ande Son, boven t'hooft van P.W.V.O. geschildert. (1v)
-
Opde Printe van de val van den Hollantsen Afgodt. (2r)
-
Op Louijs, na t' sluiten der Vrede met Engelant. 1674.
(2r)
-
Op deselve gesloten Vrede. (2v)
-
Op deselve Vrede. (2v)
-
Op deselve. (3r)
-
Op den staet van Nederlant. (3r)
-
Op de Vrede met de Bisschop van Munster. (3v)
-
Ulaei verdubbelt Rondeel op de Bruiloft, Candeelpot, en
Dootmaal van Dr. de Gr. en C. St. echte luiden. (3v)
Het laatste gedicht is samen met de ondertekening later
toegevoegd; de kleur van de inkt is anders, en het gedicht is
duidelijk in het staartwit gewrongen. De ondertekening luidt:
"Joh. Ul. Cand. gg Thel. Alkmar. 1675 12 Januari".
CU5.
Verdubbelde Rondeelen angaende Huwelijken, Vrijerijen, en
besondere Voorvallen in allerhande gelegentheit. in het
Collegij van Alkmaer.
Alkmaar: GA collectie aanwinsten, nr. 375 Olim 411,
handschrift, niet ondertekend.
Het tweede handschrift bestaat uit een katern van 4 in
elkaar gevouwen vellen (2o: @4), van
hetzelfde papier als het eerste. De folia 1 tot en met 4 zijn
aan recto- en versozijde beschreven, het vijfde alleen aan de
rectozijde en de andere folia zijn blanco. Het handschrift
bevat 16 genummerde gedichten en het nummer voor een 17de,
niet opgeschreven gedicht. De titels zijn:
-
Op't huwlik van Antoni Dankers, en Elisabeth Kickers,
1674. tot Amsterdam. (1r)
-
Op het selve voorgevallen Huwelijk. (1r)
-
Op de Chocolate, postquam de Climene elumbis discederet
W.v.F. (1v)
-
Cupido in de Smitswinckel, te samen smedende, Lud. Smiths,
Br. en Maria Tinge, Bruit. 1674. den Februarii. (1v)
-
Opt' selve huwelijk van L.S. en M.T. (2r)
-
Opt' selve huwelijk. (2r)
-
Opt' selve huwelijk. (2v)
-
Op de victorijnacht, met vreugdevieren gecelebreert tot
Alkmaar, 1674. den 14 Meert. (2v)
-
Op de selve Victorijnacht. (3r)
-
Op deselve avont. (3r)
-
Op de selve. (3v)
-
Op den koelen Advecaet. (3v)
-
Veriaringh van Th. de Groot, in sijn 23 iaer, 1674, 23
septemb: (4r)
-
Op de geboorte van Casparus Joh. Smits, en Gerbretta de
Groot, beijde op een nacht, den 19 Dec. 1674. geboren.
(4r)
-
Op de Bruloft, Candeelpot, en Dootmael van Th. de Groot,
en Cath. Steenhuisen, echte luiden. (4v)
-
Egmonder Karretocht. 1676. 27. junij. (4v-5r)
Gezien de datum van de beschreven gebeurtenis in het 16de
gedicht, is dit handschrift van jongere datum dan het vorige.
Het derde gedicht is natuurlijk zeer interessant, omdat we
achter de initialen "W.v.F." Willem van Focquenbroch vermoeden
(Zie de transcriptie hier onder).
CU6.
VREUGDE-ZANG, | Gezongen op de | DANK, en VIERDAG, | over de
| VREDE, | Tusschen de | KONING VAN VRANKRYK. | En de |
STATEN GENERAAL, &c. | Gehouden den vj November 1697. |
[houtsnede] | [__] | Te Dordregt, Gedruckt by
JOANNES van BRAAM, Ordinaris Stads | Drukker, woonende by de
Vismarkt. 1697. ||
Den Haag: KB 325 C 250, op de laatste pagina ondertekend met
"JOHANNES ULAEUS. Predikant tot Tilborg en Goirle."
CU7.
Nieuwe-Modischen Oorlogh of Mars in Conjunctie met de
Vreede. voorgevallen in't Jaar 1701 & 1702.
Amsterdam: UB 22 Bu, handschrift, ondertekend "Johannes
Ulaeus." Het handschrift vertoont geen sporen van gebruik in
een drukkerij.
CU8.
NIEUWE-MODISCHEN | OORLOG, | OF | Mars in Conjunctie met de
Vreede: | Voorgevallen in't Jaar 1701 en 1702. | [vignet] |
t'AMSTERDAM, | By de Weduwe GYSBERT DE GROOT, Boek- |
verkoopster op de Nieuwendyk, in de Bybel. 1702. ||
Den Haag: KB pamflet 14805, op de laatste pagina ondertekend
met "JOHANNES ULAEUS."
CU9. J. Ulaeus: Treurdicht, Op het christelijk
ontslapen van Elisabeth De Claer. 's-Hertoghenbosch,
1716.
Londen: BL 1855 g.8:64.
CU10.
J. Ulaeus: Treur-dicht, op het onverwagt en schielyk
overlyden van den edelen heer Philippus Sint Amant. 's
Hertogenbosch, 1717.
Londen: BL 1855 g.8:65.
CU11.
SALOMONS | SPREUKEN | EN | PREDIKER. | IN DIGTMAAT GEBRAGT.
| DOOR | JOHANNES ULAEUS. | [gravure] | Te AMSTERDAM te
bekomen, | By ADRIAAN WOR, en de Erve G. ONDER DE LINDEN, |
MDCCXXXVI. ||
Leiden: UB 1181 E 19, Amsterdam: KNAW G 529.
De lofdichten etc. van Ulaeus in het werk van andere auteurs
zijn slechts door toeval gevonden. Voor de gedichten die
tussen en met de teksten van Focquenbroch zijn uitgegeven
ziet men de auteursindex.
CUa.
'Op de Lacchenden Apoll van P. Elzevier.' In: [P. Elzevier:]
Den lacchende Apoll, Uytbarstende in lof- en
punt-dichten, aardige quinkslagen, nieuwe voysen,
vermakelijke minnezangen. Den laatsten druk vermeerdert
met de nieuwste wijsen [etc.], Amsterdam: Baltus Boekholt,
1670.
Zie bibliografie Focquenbroch.
CUb.
Lofdicht in Golzius: Geen heyl in het vertrouwen of
stervelijke Prinsen. Amsterdam, 1702.
Bron: NNBW V, 986. Geen exemplaar bekend.
CUc.
'Op de vertroostinge van Boëtius vertaald, en
uitgegeven door D. Mattheus Gargon.' In: Boëtius:
Vertroostinge der wysgeerte. In vijf boeken vervat, en
nieuwelyks vertaald, door M. Gargon, bedienaar des Godlyken
woords, en rector te Vlissingen. Tweede merkelyk veranderd[e]
en verbeterd[e] druk. Amsterdam: Salomon Schouten en Hendrik
Bosch, 1722.
Antwerpen: SB D 134120.
|
|
|
|
3. Op de Chocolate, postquam de Climene
elumbis discederet W.v.F.
O Chocolati drank, die menschen maekt tot bullen,
En als vars water brenght in een verdrooghde put;
Wij sijnt' die na verdienst u deughden singen
sullen,
Nadien gij het bordeel verstrekt tot steun, en
stut.
O nectar, die eens mens doet ianken na de kut,
Wie sal u niet voortaen met volle nappen smullen,
Wijl gij het dromigh mes doet rijsen uit den dut.
O Chocolati drank die menschen maekt tot bullen.
Om u vloek ik voortaen god bacchus met sijn
pullen,
Wijl die het Venusspel tot schut maekt in haer
schut,
Daer gij in tegendeel een voedsel sijt der
trullen,
En als vers water brenght in een verdrooghde put.
Gij laedt met dubbel scharp een halfverroest
geschut.
Wanneer men, na den eisch, met u den tromp magh
vullen;
O edlen Ambrosijn, die ons doet so veel nut,
Wij sijnt' die na verdienst u deughden singen
sullen.
En iij Coscomioogh, die voor so veel kadullen
Dit kullen stijfsel kookt gelijk een pot met grut,
Vrouw Venus sal u haest tot haer apteecker hullen,
Nadien gij het bordeel verstrekt tot steun, en
stut.
Voor mij, ik sal voortaen met varsen bij de
mut,
U lof, al dampende, doen na de wolken krullen,
U noemende, met recht, een voetsel voor de trut,
Een klok spijs voor de tongh, een vijsel voor de
kullen,
O Chocolati drank.
|
|
12. Op den koelen Advecaet.
Jan, soek geen wijf meer; want ie selt êt dus
wel,klaren:
Wie wou doch sijn de gepraedestineerde vrouw?
Schoon iij een hartie wint, ie kont êt niet
bewaren;
Dit is licht dat u milt verroesten doet van rouw.
Steur iij iou daer niet aen; verlaet de
kinderbou,
Du bist niet heet genoegh om met een meit te
maeren;
Want in melankolij praedomineert de kou;
Jan, soek geen wijf meer, want ie selt êt dus
wel klaren.
Toen iij dat Lammetie schier vast hadt inie
gaeren,
Segh, waerom gaf iêr, in passant, niet eens een
douw?
Dit was het, datse iou liet voor een drooghkloot
varen;
Wie wou doch sijn de gepraedestineerde vrouw
Maeij kreegh iou lief, ie saeght wel, dats'ant,
reutie wouw
Maer iij dacht j'olij, als begijne koek te sparen,
En sij docht; brui dan hen, bistu so slap, en
flouw!
Schoon iij een hartie wint, ie kontsêt niet
bewaren.
Wat doeie s'avonts dan noch bij de straat te
waren;
Of meenie, dat men u sal trecken bij de mou?
Neen, self de slimste sou met sulk een gek niet
paren;
Dit ist'licht dat ie milt verroesten doet van rou.
Hoer Advecaet, heb iij de brui wat van de
trouw,
So grijpt geen vroumens iou (noch iij haer) bij de
haren,
So hebie ook licht geen noot dat iij iou kop haest
klouw
Omt, stênen van een wijf, om lvirmand,
vroetmoer, baren,
Jan, soek geen wijf meer.
|
16. Egmonder Karretocht. 1676. 27.
junij.
Siet daer twè Phaëtons êr lust, en
oordeel wetten,
Teweten, Docter Smits, en Diderik de Groot.
Die met een oude kar êr kours na Egmont
setten,
Getrocken van een dier beleeft, en heel devoot.
De huislucht, so het scheen, en steelucht haer
vergroot,
Dies wilden sij eens mee, als andere kadetten
Een kar gaen huiren, die sij kregen nauwernoot.
Sie daer twee Phaëtons êr lust, en oordeel
wetten!
Wie las ooit raerder klucht in brieven, of
bilietten,
Sij raakten nouw uit t' bosch, of na een korte
stoot,
Soo ploffen sij int' sant, met droevige karbetten,
Te weten, Docter Smits, en Diderik de Groot.
Den armen Ronsinand kreegh een verstrikte koot,
En had geen macht, om voorts sijn meesters te
verpletten
Om hare botticheit, maer swoer vast moort, en doot
Die met een oude kar 'er kours na Egmont, setten.
t' versleten gaspleer, pas als spaense
kastinietten,
Dat gink vast, klik, klak, klik; de wielen dor,
ontbloot
Van smout, die gieren so als valse
schuiftrompetten,
Getroeken van een dier, beleeft en heel devoot.
Op ijder tret, so knikt, en nijght êt met sen
poot,
So dat êt voor Madam in Vrankrijks
paerd-balletten
Sou mogen dansen; maer wie schiet êr nu êt
loot,
Die reis is uit; hier red noch kroon noch
pistoletten,
Siet daer twe Phaëtons.
|
|