Medailon

Pieter de Wit's schilderij van

Dirck Dickszn. Wilre te Elmina (1669)

 

De onderstaande tekst is overgenomen uit: Franz Binder, Norbert Schneeloch: "Dirck Dircksz. Wilre en Willem Godschalk van Focquenbroch(?) Geschilderd door Pieter de Wit te Elmina in 1669."
In: Bulletin van het Rijksmuseum 27 (1979), p.7-29.

Lees en scroll of klik hier om snel naar de afbeelding te gaan van:
het gehele schilderij of
het detail met Focquenbroch


Dirck Wilre (of Wilree) werd in 1636 in Graft geboren. Zijn familie was uit Graft afkomstig: twee van zijn voorvaderen bekleedden daar het ambt van schout. Hij was de jongste van de kinderen van schipper en kapitein Dirck Dircksz van Witre en Trijntjen Hendrickx: Gerrit (geb. 1624), Hendrick (geb. 1628), Magdaleentje (geb. 1630) en Jacob (geb. 1633). Zijn moeder stierf al in juni 1639, zijn vader tussen 1646 en 1650. Het is mogelijk, dat zijn vader nog een of twee maal hertrouwde, voordat hij tenslotte Anna Jansz. Huwde. Haar zoon uit een vroeger huwelijk, Cornelis Jansz. Danser, zou in 1652 met Dircks zuster Magdaleentje trouwen. Danser was varensman en stond misschien toen al in dienst van de West Indische Compagnie (W.I.C.). Dircks broer Jacob voer, evenals anderen uit Graft, na de eerste Engelse zeeoorlog (1652- 54) als schipper op de Caraïbische eilanden, maar ondervond tegenspoed bij zijn sluikhandel met Barbados; hij was ook mede-eigenaar van een plantage met negerslaven op Antigua, die hij later van de hand deed. Over Dircks jeugdjaren is niets bekend. Het is mogelijk dat ook hij zijn carrière is begonnen op een lorrendraaier (smokkelaarsschip) zoals er zovele hebben gevaren tussen Holland, de kust van Guinea en de West voor de handel in goud, grein, ivoor en staven.

De kust van Guinea behoorde sedert 1621 tot het monopoliegebied van de W.I.C., maar door de lengte van de kust en de beperkte haar ten dienste staande middelen kon zij haar rechten niet doen gelden; de placcaten, waarin varensliedem uit de Republiek, die in buitenlandse dienst op smokkelschepen voeren, met de doodstraf (die overigens nooit werd toegepast) werden bedreigd, hielpen haar daarbij niet". Vooral na de opstand van de Portugezen in Brazilië in 1645, waardoor de W.I.C. danig werd verzwakt, zagen tal van kooplieden uit Amsterdam en uit Zeeland hun kans schoon om samen met lieden uit Hamburg, Glückstadt (toen Deens), Engeland en andere landen de Compagnie naar hartelust te 'pluymen'.

Op zo'n lorrendraaier, de Stadt Cremp (genoemd naar het stadje Krempe bij Glückstadt), onder schipper Claes Dircksz., voer Dirck Wilre, waarschijnlijk in het begin van 1658 als koopman naar Guinea. De tocht verliep niet zonder moeilijkheden. Het galjoot moest wegens de slechte toestand, waarin het verkeerde, op de rivier Kameroen in brand worden gestoken. Wilre stapte over op een Engelse schip, dat hem naar Kaap Lopo Gon¸alves, nu Kaap Lopez, bracht. Daar ging hij aan boord van het jacht van de W.I.C., de Noortse Leeuw, eveneens een gewezen lorrendraaier en bereikte begin december 1658 Elmina. Wat Wilre ertoe heeft gebracht in dienst der 'Edele Compagnie' te treden is niet zeker, maar men mag aannemen dat bij, na zijn mislukte tocht als lorrendraaier, er de voorkeur aan gaf vrijwillig in dienst te treden bij de W.I.C., liever dan thuis geconfronteerd te worden met zijn reders of bevrachters. In weerwil van de placcaten mocht de Compagnie nog blij zijn smokkelaars bereid te vinden bij haar in dienst te treden, dit vooral gezien de hoge sterfte onder het personeel op de kust. Alleen notoire belhamels en onwilligen werden te Eimina gevangen gezet tot er een schip gereed was naar patria uit te zeilen. Als een lorrendraaier zich zonder slag of stoot overgaf. mochten officieren en bootsvolk hun plunje en zelfs hun tot dan toe verdiende gage behouden.

Vanaf februari 1659 deed Wilre dienst op verschillende logies der W.I.C. op de Goudkust, eerst als assistent, vervolgens als commies en tenslotte, al in het voorjaar van 1660, als oppercommies op het Kasteel Mouree, dat voor de goudhandel met de Accanisten (negerkooplieden uit het rijk Akan) van groot belang was. Deze snelle carrière kan uit verschillende omstandigheden verklaard worden. Ten eerste had Wilre als smokkelaar kennis gemaakt met de handel in Guinea en daardoor ervaring opgedaan met de koopmanschap, de gewoonten en de taal. De 'lingua franca' was de zwarte Portugesche taele, het crioulo; overigens spraken tal van Afrikaanse kooplieden, vaak mulatten, ook tamelijk goed Nederlands". Ten tweede moet de al vermelde sterfte genoemd worden, die telkens bekwame commiezen en oppercommiezen ten grave sleepte. In de derde plaats was kort tevoren, in 1657, een ring van smokkelaars bestaande uit ervaren commiezen van de Compagnie op de fles gegaan; gebrek aan competente vervangers had de Compagnie er toe gebracht hun ontslag tot 1659 uit te stellen. Onder de 'chinezen' - zo luidde de bijnaam voor de sluikers in dienst van de Compagnie - bevonden zich ook Heereman Abramsen en Francoijs Roman, beiden oppercommiezen, die overigens later opnieuw bij de W.I.C. in dienst zouden treden.

Mercurius was de kersverse oppercommies bij de goudhandel tot dan toe niet goedgezind geweest. Wilre klaagde medio mei 1660 bij de nieuwe directeur-generaal, de hoogste gezagsdrager ter kuste, Jasper van Heussen: alsoo dagelijcx, soo lange (ik) de Wel(edele) Compe. gedient hebbe, bevonden hebbe dat in mijn staat ten achteren ben gecomen; alsoo de comptoiren, soo ick hebbe comen te becleden, in slechte stant van handel hebbe gevonden enne altijdt getracht, door eenige cleijne begiftiginge aan de inlandsche natien alhier (d.i. het kasteel Mouree, ten oosten van Elmina) deselve plaetze in eenen beteren stant te brengen, doch het en heeft echter tot noch toe den Almachtigen Godt niet belieft, dat sulcx door mij soude wegen gebracht worden. Maar niet alleen de nieuwe oppercommies uit Graft had reden tot klagen. De Bewindhebbers hadden al gauw in de gaten, dat Van Heussen minder goed dan zijn voortganger Jan van Valckenburgh (1656-59) in staat was op te boksen tegen de toenemende handelsconcurrentie van de Engelsen en van de lorrendraaiers. Van Heussen stierf echter al eind april 1662 ten gevolge van een van de epidemieën die steeds weerkeerden tijdens de 'quaede tijt', de regenmaanden van april tot juli. Toen Van Valckenburgh door de hoofdparticipanten (aandeelhouders) te Amsterdam niet in hun vergadering toegelaten werd, bleek hij niet bereid om wederom de functie van directeur-generaal te vervullen. 'Primo mei' 1662 trad Dirck Wilre daarom op als provisioneel directeur-generaal, want ook de 'oppercommies ende fiscaal' Huybrecht van Gageldonck was in mei 1661 met de Graaf Enno naar patria vertrokken.

Zo had de vroegere 'octroy dieff' Wilre na nauwelijks drie en een halfjaar dienst de top bereikt. Een opmerkelijk feit, te meer omdat de meeste dienaren van de W.I.C., die van onder af waren begonnen, er tien, soms meer dan twintig jaar over deden voor dat zij zover kwamen. Wilre kreeg te Elmina in zijn nieuwe functie meteen het bevel over ongeveer 250 man, voor het merendeel soldaten op het machtige kasteel en bootsvolk op de jachten aan de kusten; voorts zo'n veertig man handelspersoneel, alsmede een groep ambachtslieden en bedienden, de rond 250 slaven hierbij niet meegerekend. Hij verdiende een salaris van ver boven de fl 300 per maand, wel vicr keer zo veel als wat hij als oppercommies kreeg, maar gezien de vrij hoge kans in Elmina aan een tropische ziekte te bezwijken, was dit niet veel te noemen.

De strijd om de Afrikaanse markt met de Engelsen, die de W.I.C. in de slavenhandel toen al voorbij waren gestreefd, werd in die tijd steeds feller en leidde herhaaldelijk tot gewelddaden. Dit leverde Wilre tijdens zijn bestuur de meeste moeilijkheden op. De W.I.C., die jaren tevoren van sommige zwarte stamhoofden of 'strandkoningen' het uitdrukkelijk handelsmonopolie bekrachtigd had weten te verkrijgen in verdragen, wilde niet gedogen, dat haar Europese concurrenten die plaatsen zelfs maar aandeden, ook al wilden de 'naturellen' nu wel degelijk met hen handel drijven en wel op aanmerkelijk voordeliger voorwaarden dan met de 'Edele Compagnie'. Dit was de reden waarom Wilre en zijn Raad in mei 1662 besloten Takorary en later ook Commany en Cabo Cors van zee uit te laten blokkeren. Hij trachtte met behulp van de Futuse negers de Denen te verjagen uit Cabo Cors zonder de Engelsen de kans te geven die logie te bemachtigen. De toestand was nog onveranderd toen de opnieuw benoemde ouddirecteur-generaal Jan van Valckenburgh, door de torrendraaiers 'stockvis' genoemd, met twee sterke schepen medio januari 1663 voor Elmina voor anker ging en het gezag van Wilre overnam. De spanningen met de Company of Royal Adventures bleven toenemen - beide compagnieën verkregen in 1662-63 de 'asiento', de toestemming van de Spaanse kroon om een aantal slaven naar haar Amerikaanse kolonies te brengen - en in juni 1663 deden er op de Goudkust geruchten de ronde over een op handen zijnde aanval der Engelsen, nadat de W.I.C. een maand tevoren eindelijk in het bezit van Cabo Cors had weten te komen. Er waren openlijke bedreigingen van de kant van de Engelsen, reden waarom Van Valckenburgh het garnizoen van het in 1660 bezette Portugese eiland Anobom terugtrok naar de Goudkust.

Terwijl Van Gageldonck het kasteel Mouree ging overnemen, bleef Wilre na de komst van zijn opvolger oppercommies te Elmina om bij zijn inheemse vriendin Helena Correa, die later ter sprake komt, te blijven. Ook Van Valkenburch had een verhouding met haar gehad. Hoe de persoonlijke relatie tussen de beide geliefden van Helena ook geweest moge zijn, wij horen niet van moeilijkheden tussen hen als dienaren van de W.I.C. Eind juli of begin augustus 1663 kreeg Dirck Wilre bezoek van zijn broer Jacob, die als schipper op de Juffrouw Catharina goederen naar Elmina bracht om vervolgens staven van Calabarij naar Curacao te voeren.

In het voorjaar van 1664 verzocht Wilre de bewindhebbers na een diensttijd van vijf jaar naar huis te mogen terugkeren. Zij lieten die beslissing echter over aan de directeur-generaal, in verband met het feit dat enige dienaren zoals de oppercommies Thieleman Willeckens, de luitenant Cornelis van den Ancker en anderen al naar patria waren vertrokken, juist op het dat de Engelse kapitein Robert Holmes op de Goudkust de vijandelijkheden begon en elke man onmisbaar werd. Terwijl het Holmes gelukte tal van kleine logies en het belangrijke Cabo Cors in het. voorjaar 1664 in handen te krijgen, bleken Elmina en de andere bevestigde kastelen en logies voor de Engelsen te sterk, ook omdat de meeste strandkoningen de W.I.C. trouw bleven. Aan de toestand van beleg kwam pas een einde, toen van Kaap Verde werd gemeld, dat De Ruyter met zijn vloot van daar uit koers had gezet naar de Goudkust. De Engelse schepen hadden al in december 1664 de wijk genomen, voordat de befaamde vice-admiraal kort na nieuwjaar 1665 hel heroveringswerk begon. Op 7 januari ging De Ruyters vloot voor Elmina voor anker en terzelver tijdt quam d'Opperkoopman Dirck Wilree met den fiskaal Pieter Bauté den Heer de Ruiter aan zijn boort verwellekommen en nevens d'andere opperhoofden der vloore, uit den naame van den generaal Valckenburgh aan landt noodigen; 's middags werd De Ruyter met zijn kapiteins en verdere officieren op het Kasteel op een maaltijd onthaald. Wilre heeft ongetwijfeld ook aangezeten aan het afscheidsdiner, dat De Ruyter op 18 januari aan boord van zijn schip aanbood.

Nu het gevaar geweken was, zou Wilre met De Ruyter naar huis hebben kunnen varen; zijn stiefmoeder en zijn zuster sloten zelfs een verzekering af op hem en zijn scheepskist; maar dat was te voorbarig: Wilre bleef om ontbekende, misschien 'familie' redenen nog te Elmina en stuurde alleen een blote brieff van dato den 27 february (1665) uyt Elmina geschreven, de dag, waarop De Ruyters vloot de ankers lichtte om de vijand in de Antillen op te zoeken. Inmiddels was, wellicht in september 1664, Dircks broer Jacob de kapitein van het slavenschip Juffrouw, Catharinia voor de tweede maal naar Elmina gekomen. Dirck is echter ook met hem niet naar huis gegaan, maar hij is mogelijk in de zomer of de herfst van 1665 met één van de schepen van de Compagnie - misschien de Eendracht onder schipper Andries Cornelisz. Vertholen - van de Goudkust vertrokken. In elk geval gunde hij zich in Holland niet veel tijd om zijn aanstaande bruid en vrouw te leren kennen: kennelijk had bij voldoende ervaring op dit gebied op de Goudkust kunnen opdoen. In dienst van de Compagnie had Wilre immers de mulattin Helena Correa leren kennen, de dochter van een Emanuel Correa weleer gouverneur op Axem geweest, te Elmina, waar zij in 1659-60 gewoond heeft. Zij was minstens tien jaar ouder dan Wilre en was al twee keer getrouwd geweest, de eerste keer met een Portugys welck doen Axem wiert geincorporeert (door de W.I.C. op 9 februari1i642 werd ingenomen) van daer (naar Portugal) is vertrocken; (hij) kon sijn vrou, sijnde een mulatin, daer laten blijven... en liet dees Helena met een kint by haar geprocreëert sitten', zo luiden de woorden van de toenmalige generaal ter kuste, Jacob Ruychaver. Helena hertrouwde de 18de november 1646 te Elmina met Jan Gelendonek, mulaet, ondercommies (in dienst der W.I.C.), als opperhooft 't comptoir Cabo Cors waernemende. Desen Jan Gelendonck is gesprooten uyt een seekeren Portugysen capiteyn, welck in de jare 1623 of 1624 sijn schip door een Compagnies schip wiert ontnoome, en sijn moeder, een slaefinne, heeft deese melaet te voorschyn gebracht, en door goet comportmentt (is hij) dus verder geraeckt...'. Gelendonck heeft waarschijnlijk in de jaren vijftig de dienst van de Compagnie verlaten om zich als zelfstandige handelaar op de goudkust te vestigen, waarbij het een open vraag moet blijven, of hij nog met zijn vrouw bleef samenleven. Helena was niet onvermogend: men zou haar het beste kunnen vergelijken met haar blanke zusters in de toenmalige Republiek, die evenals zij, als koopvrouw, zelfstandig de kost moesten verdienen om haar kinderen groot te brengen. In weerwil van Jacob Steendam's versregels: Want haar vaders zijn Geweest / Blanck gevleest / En haar moeders waren swarten / Daarom zijn se boven dank / Swart noch blank / Dies sy swart' en blanken tarten' zal door Helena Correa's aderen, gezien de al vier generaties lang durende vestiging der Portugezen te Axem, wel meer blank bloed gevloeid zijn dan bij een mulattin: we moeten ons dan ook een morena voorstellen, toen al voor de Portugezen een soort schoonheidsideaal, met de faam in de liefde zeer bedreven te zijn. Heel begrijpelijk dat deze, naar we mogen aannemen, rijpe- donkere schoonheid, ondanks haar huwelijk een verhouding aanging met de in 1650 als fiscaal naar Elmina gekomen ongeveer even oude Jan van Valckenburgh, waaruit omstreeks 1653 een zoon met de naam Jasper voortsproot. Van Valckenburgh was overigens vlak voor zijn vertrek naar Elmina getrouwd met de Vlissingse Dina Lems, de dochter van een van de directeuren van de W.I.C. in Angola. Toen hij scheepging, verwachtte zij een kind van hem, dat owigens vlak na de geboorte is overleden. Helena werd zodoende tot zijn 'naturelle' vrouw en eind januari 1656, toen van Valckenburgh directeur-generaal werd, zelfs drie jaar lang de first lady van het kasteel Elmina.

Ten tijde van Wilres 's komst rond de jaarwisseling 1658-59 moet Helena reeds geweten hebben, dat haar Jan binnen een half jaar naar zijn Zeeuwse vrouw in Amsterdam zou terugkeren. Maar zij werd juist op tijd getroost. De assistent uit Graft werd door deze femme de trente ans - in 1660 was ze ongeveer 36 jaar oud - het hoofd op hol gebracht: zij schonk hem in de jaren 1660-1665 niet minder dan drie kinderen, van wie alleen Hendrik, zo genoemd naar Dircks overleden oudere broer, in leven bleef. Deze 'wilde echt' was helemaal niet uitzonderlijk. De dienaren van de Compagnie bestonden voor de helft uit Nederlanders, voor de andere helft uit soldaten uit de Duitse landen, Scandinavië, Groot Brittannië en andere landen. Ze werden door de predikant Bartholomeus Ysebout gekenschetst als vele rouwe mensen... die meenighmaal veel slimmer in handel en wandel sijn dan deze heidenen selff en zij gingen dikwijls dergelijke verbintenissen aan, overigens tegen de zin van de Compagnie, die het schoorvoetend moest gedogen. De Compagnie was overigens zelf verantwoordelijk voor die situatie; zij stond immers, uitzonderingen daargelaten, aan haar personeel niet toe de echtgenoten mee te nemen. Dit voorschrift vormde een bron van niet aflatende klachten van de in Elmina aanwezige predikanten, die van mening waren, dat alleen de opheffing daarvan de kans bood om 't overspel te voorkomen. De brieven van predikant Ysebout aan de classis te Amsterdam liegen er dan ook niet om: haer dagelijcx werck was hoereren en overspelen binnen het fort, in het gesight bij naer van ijdereen... haer dagelijcx vol en sat drinckende... niet als vloecken... Ook zijn opvolger, Abraham Ouderwater, soude bijnaa volkomen genoegen in dezelve gemeente (d.w.z. het personeel van de W.I.C.) (genomen) hebben, indien van veele die nauwe vrientschap ende bijsonderen ommegangh met de swartinnen wat meer wiert geschuwt.... De Compagnie was wel gewoon van elke dienaar, die een spurius had, een gedeelte aan de gage in te houden om dat aan de moeder of de voogd uit te keren, een bewijs overigens voor de aanwezigheid van vele spurii of 'tapoeyers' in het negerdorp bij Elmina en elders ter kuste. Dit gebruik getuigde van een zekere zorg voor deze groep, een zorg die de Compagnie vooral om militaire redenen zal zijn ingegeven en kk,el om de goede verstandhouding met de caboceros (hoofden) van de 'Mynse negers', omtrent achtduizend weerbare mannen, meest uit het binnenland naar het dorp Eimina gevluchte zwarten, te behouden.

Een fatsoenlijk huwelijk ofwel chercher la femme blanche was kennelijk één van de motieven voor Wilre om naar Amsterdam terug te keren. Ongeveer een jaar daarna, op 3 september 1666, ging hij, nu dertig jaar oud, met zijn broer Jacob als getuige te Amsterdam in ondertrouw met de ongeveer twee jaar oudere Maria de Perel uit Antwerpen. Het paar vestigde zich op de Brouwersgracht, waar de bruid voordien al woonde. Wilre bracht zijn bruid wel op de hoogte van zijn 'wilde echt', die trouwens in Amsterdam niet geheim zou zijn gebleven. Jan van Valckenburgh had zijn ambtstermijn van drie jaar al ruimschoots overschreden en bovendien de Heren XIX ondermeer wegens zijn nieraandoening ('grevel') al meer dan eens verzocht naar patria te mogen terugkeren. Hij overleed echter op 8 juli 1667 en werd opgevolgd door Hubrecht van Gageldonck. Zonder de Kamer van Zeeland erin te kennen, benoemde de praesidiale Kamer van Amsterdam Wilre meteen als opvolger. Omdat de W.I.C.dank zij de ontreddering van de Company of Royal adventurers trading into Africa in Guinca weer een voldoende sterke machtspositie had opgebouwd, wachtten de Bewindhebbers rustig het einde van de tweede Engelse zeeoorlog (1665-1667) af, voordat zij Wilre, 'een gau man', op de Amsterdam onder schipper Gerrit Jansz. van Dijck met nog vier andere schepen (waarbij drie slaven schepen) op 15 november 1667 naar Afrika stuurden, waar hij op 10 januari 1668 zijn ambt aanvaardde. Zijn dochter Maria, later zijn erfgename, werd vier maanden eerder, op 10 juli 1667 in de Noorderkerk gedoopt.

De vijandelijkheden met de Engelsen waren nauwelijks voorbij - in Guinea werd de Vrede van Breda pas op 18 december 1667 van kracht - of de handelsoorlog laaide door de komst.van een vloedgolf van Engelse schepen meer dan ooit op. De overvoering van de Afrikaanse markt met goederen ten gevolge daaraan, verhinderde in 1669 voor het eerst de totstandkoming van een prijsafspraak met de Accanisten. Bovendien brak er als gevolg van de grote invoer van vuurwapenen in het achterland van de Grein-, Goud- en Slavenkust onder de binnenlandse potentaten een reeks van oorlogen uit, die zo'n zes jaar lang hevig woedde en de goudhandel buitengewoon bemoeilijkte. De goudkist van de W.I.C. kreeg ten gevolge van o.m. die oorlogen maar de helft van wat daar gewoonlijk in terecht kwam. Daardoor beschikte de Compagnie over te weinig middelen om de slavenhandel te financieren en werd zij in toenemende mate afhankelijk van geldschietersvan buiten de Compagnie. De slavenhandel nam tijdens het bewind van Wilre weer een geweldige vlucht: kon de W.I.C. in het laatste oorlogsjaar 1667 al weer meer dan tweeduizend negers in de Nieuwe Wereld verkopen, dit aantal steeg al in 1668 tot boven de vijfduizend en evenaarde gedurende de volgende drie jaren zelfs de spits van 1644, met het jaar daarvoor, 1663, de enige twee jaren in de 17e eeuw, waarin de Nederlanders meer slaven naar Amerika brachten dan alle andere slavenhandelaars (Portugezen en Engelsen) tesamen.

Ook al vloeide er minder in de goudkist van de Bewindhebbers van de W.I.C., door het personeel van de Compagnie werd er in goud dapper op los gesmokkeld, de generaal niet uitgezonderd. Ook bier gold: qualis rex, talis grex en de 'kraaien', een andere bijnaam voor sluikers die in dienst waren van de Compagnie, hadden op deze wijze tal van mogelijkheden om hun schamele gages behoorlijk aan te vullen. Wilre zelf had in 1668 met de kapitein van een slavenschip, die de neef van zijn stiefmoeder was, ongeveer zeven mark goud meegegeven, iets dat streng was verboden. Het was geadresseerd aan zijn vrouw en moest volgens een bijgesloten lijstje onder de armen verdeeld worden; een verdachte manier van doen: waarom gaf hij het niet mee in de goudkist, waarin alle goud moest worden verzameld? De Bewindhebbers van de Kamer Amsterdam kregen er lucht van en vroegen aan Maria de Perel dit goud aan hen terug te geven maar de gemelte hijijsvrouwe (van Wilre) hoewel buijten reeden haar de dispositie van de voorschreven resolutie (van de bewindhebbers) soodanigh ter herten genoomen heeft, dat se in haare gesontheijt light soude komen ongemack te lijden, soo is niettegenstaande 't voorschreven gout tegens ordre aan haar gesonden, is om de voorschreven consideratie goegevonden het voorschreven gout voor deese maal in haar handen te laaten komen onder schriftelijke acte, dat hetselvige niet sal geopent werden voor datter aan de vergaderinge van (de Heeren) XIXE kennisse van gedaan ende bij deselve gedisponeert sal sijn. Het zal wel niet de enige goudzending van Wilre uit Guinea zijn geweest.

Wilre werd in mei 1668 voor de derde keer vader, nu van de tweeling Catharina en Anna Françoise; zij overleden echter binnen vijftien maanden. Eind juli 1668 moet Hendrik, de nu ongeveer zeven jaar oude natuurlijke zoon van Wilre en Helena Correa met de Amsterdam uit Elmina in Holland zijn aangekomen om hier zijn opvoeding te krijgen. Wilre moet wel zeer aan zijn enige zoon - zijn twee andere kinderen bij Helena overleden vroeg - gehecht zijn geweest, anders zou bij met het oog op mogelijke spanningen met Maria de Perel wel vermeden hebben hem naar Amsterdam te sturen, ook al woonde de kleurling dan niet bij haar op- de Brouwersgracht.

In het begin van 1671 was de driejaarlijkse ambtsperiode van de generaal afgelopen, maar het ontbreken van een geschikte opvolger en de dreigende oorlog niet Frankrijk en Engeland maakten dat het gevraagde ontslag werd uitgesteld. Pas in mei 1674 kon Wilre, na het gezag aan Joan Root te hebben overgedragen op de Wittie Haes in Elmina aan boord gaan, om tezamen met het schip Eendracht de terugreis te aanvaarden. Het is geen voorspoedige reis geweest. Mogelijk is Wilre's schip in de bocht van Guinea vervallen of heeft het weken lang in windstilten (doldrums) rondgedreven. Wat hier van zij: pas op 5 september van hetzelfde jaar, toen Wilre, ernstig ziek, zijn testament liet opmaken, zeilde het schip tussen de Azoren en Ierland. Kort daarop stierf de schipper Jan Muyssen Huygh ter hoogte van de Shetland eilanden. Vanwege de Engelse zeeoorlog was men genoodzaakt de weliswaar langere, maar minder gevaarlijke route benoorden Schotland te kiezen. Aan het eind van de langdurige reis strandde het jacht op 27 september 1674 op het rif de Peerdemarckt, een halve mijl van Schiermonnikoog door quaede (zicht) ende onachtsaemheijt van den loots... Wilre, de oppercommies Wouter Coccus, de commies Joannes Stockram, de chirurgijn Jacob Aven en nog misschien een man of acht, sloegen om en verdronken, toen zijn trachtten met een sloep naar land te komen ende eenige aen strant comende drijven, ofte gevist werdende op het voorschreven eijlant (Schiermonnikoog) begraeven, zijnde den gemelten Hr Wilrée, Coccus, Stockram ende andere, door hun vrinden wedert van daer affgehaelt ende ijder ter plaelse, daer sij t'huys behoorden (?) eerlijck ter aerde gebracht. Wilre werd op 21 oktober 1674 te Graft begraven. Het schip de Wite Haes werd door de golven aan stukken geslagen, maar de onderstuurman en acht of negen bootslieden, die aan boord waren achtergebleven, konden nog worden gered. De W.I.C. kreeg tegen een bergloon van 20% de door Schiermonnikoogse vissers geborgen goudkist met twintig zakjes goud terug, in totaal 347 mark ter waarde van ongeveer f 120.000, benevens ca. 5000 lb. ivoor, een deel van de uit Guinea meegenomen journalen en dergelijke. Daaruit kan men opmaken, dat Wilre smokkelgoud bij zich had; ook in de scheepskist van de overleden schipper Huygh werd smokkelgoud aangetroffen. Coccus en Stoekram hadden al eerder goud met een schip naar huis gestuurd, waarover hevige ruzies onder de erfgenamen waren losgebarsten.

Was Maria de Perel niet in staat de hand te leggen op het goud van haar man, dat op de bodem van de zee lag, zij wist hoogstwaarschijnlijk wel de jonge Hendrick zijn vaderlijk legaat, niet minder dan f 6000 plus twintig mark goud, afhandig te maken, hetgeen door de dood van Wouter Coccus, een van de voogden nog werd vergemakkelijkt. Al heel vlug, op de 10de januari 1675 verzocht Maria de Perel de Bewindhebbers van de kamer Amsterdam den natuijrlijcke soon van (Wilre)... by sceeker vrouwe aldaer te laende (Guinea) geprocreert met Comps schip Europa naar Elmina te mogen laten overgaan. Dat werd toegestaan, echter met de aantekening, dat de reiskosten door Helena Correa aan de Compagnie vergoed moesten worden. In gezelschap van de oude sluiker en vroegere oppercommies Hereman Abramsen, nu tot nieuwe generaal van de Nieuwe W.I.C. gekozen, moet Wilre's zoon in het voorjaar van 1675 naar zijn geboorteland zijn teruggevaren.

WILRE

Het schilderij bergt twee belangrijke geheimen in zich. Het eerste betreft de maker. Zou het doek niet gesigneerd en gedateerd zijn, dan zouden wij van een schilder Pieter de Wit nooit hebben gehoord. Het toeval bracht met zich mee, dat er in 1669 behalve De Wit zeker nog één, en hoogstwaarschijnlijk twee schilders op het kasteel te Elmina vertoefden. Bartholomeus Ysebout uit Leiden vervulde van eind augustus 1667 tot de zomer van 1671 aldaar het ambt van predikant: na zijn terugkeer echter liet hij zich op 24 februari 1673 aan de universiteit van Leiden inschrijven, waarbij hij als beroep 'pictor' opgaf. Nadere gegevens over hem zijn niet gevonden. De tweede schilder op Elmina was Hendrick Adrieijaense Boscoop, die in 1628 te Gouda was geboren, maar zijn jeugd in Zutphen had doorgebracht en in de herfst van 1654 te Amsterdam met Hendrickje Forens (Voorens) in ondertrouw ging; getuige was Pieter Janse, schilder en mogelijk zijn leermeester. Het echtpaar woonde in elk geval te Amsterdam, waar in januari 1654 hun dochter Helena gedoopt werd. Boscoop kon blijkbaar niet van zijn kunst leven, anders had hij niet voor f 15 per maand aangemonsterd omme voor adelborst en schilder in dienst van de Geoctroijeerde Westindische Compie ter camer alhier, te varen naer Guinea met 't schip Amsterdam onder schipper Gerrit Jansz. van Dijck, dat op 7 of 8 december 1668 van Goeree in zee liep en midden februari 1669 - zo lang duurde de reis meestal - voor Elmina voor anker moet zijn gegaan. De Amsterdam moest vanwege de schaarste aan slaven te Ardra tot de 22ste november van dat jaar op de Goudkust blijven wachten, voordat het zijn driehoeksreis over Curaçao, - waar de staven aan de Spaanse asientistas Grillo & Lomellino werden verkocht -, kon voortzetten. Pas begin september 1670 was het schip in Holland terug. Of Boscoop de reis overleefde - varn het bootsvolk op slavenschepen zal gemeenlijk tussen de 20 en 25% per vaart niet zijn teruggekeerd, - weten wij niet: hij noch zijn vrouw werden te Amsterdam begraven.

FOKFIJN

Rest de schilder Pieter de Wit. Mogelijk is hij identiek met de op 9 januari 1646 te Amsterdam gedoopte tweede zoon van de koopman Pieter Pzn. de With (Wit) en Marritge Laurens. Pieter Sr. was van 1630 tot 1640 in dienst bij de V.O.C.; daarna ging hij wonen in de herberg Maeght van Enkhuyzen bij het oude huis van de W.I.C. Het is niet duidelijk in welke goederen hij handelde -, als voogd liet hij in april 1660 bij Cornelia Jansdr. schilderijen en kunstboeken van de failliet gegane en gevluchte voormalige opsiender van de kalkmeesters en kalkdragers. Jan Admirael in beslag nemen.

Of Pieter, als enige zoon zijn vader, die in ieder geval sedert de herfst van 1661 aan zijn handen verlamd was, bij zijn zaken heeft geholpen is onzeker; mogelijk was hij toen bij een meesterschilder in de leer. Zijn vader overleed begin 1665 en werd in de Noorderkerk begraven. In juli 1667 vinden wij Pieter als getuige bij de doop van de zoon van zijn zuster Gertruyd. Zij verklaarde medio april 1670 voor notaris J. V. Oli, dat haar broer 'uytlandich' was. Dit is in overeenstemming met de datering van het schilderij: Pieter de Wit kan vanuit Elmina via de Antillen zijn teruggevaren en is mogelijk tijdens die tocht overleden; er wordt van hem niets meer vernomen en hij werd niet te Amsterdam begraven.

Blijft de schilder Pieter de Wit een vage figuur, nog meer geldt dit voor de man op de achtergrond van het schilderij: hij zou niet zoveel aandacht verdienen als wij niet wisten, dat in hetzelfde jaar 1669 ook de dichter Focquenbroch op Elmina verbleef als dienaar van de W.I.C. Focquenbroch, die zich voor zes jaar had verbonden, was met het schip Gideon naar Guinea gegaan en de 18de september te Elmina aangekomen Om als een iongh en stout fiscael, De loorren-draejers aan te randen, En af te stroopen als een ael. Het lieve goud was echter zijn voornaamste drijfveer om de playsieren van de wereld voor een jaer of ses te vergeten, als of ick doot was. Want hier is geen vermaeck ter wereld ... Doch echter patientie, is 't land sleght, het gout is goet. Door de vele ziektegevallen onder het personeel van de Compagnie kreeg Focquenbroch er allerhande werk bij '... ick leer hier van alle slagh van ambachten worden; alsoo ick buyten fiscael, voor secretaris, voor raed, voor notaris, voor ambassadeur, voor caper en voor eenen drommel met den anderen moet spelen, waardoor er weinig tijd was om uit te rusten. Zo trachtte 'Focq' tussenn februari en mei 1669 op de Zeelandia onder schipper Foort Gillisz Tant uit Vlissingen ter hoogte van de W.I.C. logie Boutrij (ten westen van Elmina): seeck'r Zeeuwsche caravelle, Die hier voor lorren-drajer speelt, En 's Compagnies otiroy besteelt, Te gaen vermeest'ren en beknellen.., met welk succes is onzeker. Helaas zijn door de vernietiging van het archief van de Eerste W.I.C. in 1821 over 'Focq' geen verdere bijzonderheden te vinden; slechts verder onderzoek in het notarieel archief in Amsterdam zou misschien iets kunnen opleveren. Zodoende weten wij ook niet precies, wanneer Focquenbroch te Elmina is overleden, maar het is hoogstwaarschijnlijk in de weken voorafgaande aan de 14de juli 1670 geweest. De nieuwe predikant, die in juli 1671 in Elmina aankwam, schrijft over de zware epidemie van het jaar tevoren ... sware sieckten ... voortspruijtende bijsonderlijck uijt de vuijle dampen en stinckende nevels (tijdens de) ... quaede tijt (de maanden april tot juli), die nog ten tijde van zijn aankomst slachtoffers vergde.

Er zijn enkele aanwijzingen, die het aannemelijk maken, dat de man op de achtergrond inderdaad Focquenbroch voorstelt. In de eerste plaats is de kring van personen, die in aanmerking komt te worden afgebeeld betrekkelijk klein. Behalve de generaal zijn dat de fiscaal en de predikant (soms maar een ziekentrooster overigens), de opperkoopman, de commies en een assistent zoals een boekhouder. Verder waren er op het kasteel een equipagiemeester, officieren en soldaten, ambachtslieden en af en toe bemanning van de schepen van de Compagnie op de kust. Militairen van het garnizoen en zeelieden droegen niet zulke kledij evenmin als de predikant. Het is de kleding die gedragen werd door iemand uit de eenvoudige burgerij. De voorgestelde moeten wij dus zoeken onder het handelspersoneel: de opperkoopman Francoijs Roman, de boekhouder Albert Ruytiers, de schoonvader van de beeldhouwer Bartholomeus Eggers, een onbekende ondercommies en een eveneens onbekende assistent. Afgaande op de leeftijd van de voorgestelde, die omstreeks 30 jaar kan worden geschat, komt Focquenbroch met zijn 29 jaren eerder in aanmerking dan Roman, die in 1669 41 jaar oud was en Ruytiers, die toen 50 was.

Op een andere bijzonderheid vestigt de dichter zelf onze aandacht. In zijn eerste brief uit Elmina, gedagtekend 22 september1668, schrijft hij aan zijn vriend in Holland over zijn 'staet van aensien' met zoveel woorden: alsoo selfs geen van al de hooghste officieren aan het kasteel, behalven den opperkoopman (die mee Raed-persoon is) my, gedeckten hoofde soude derveni toespreken. Focquenbroch zal zonder twijfel ook vanwege zijn schaarse haren een hoed hebben gedragen; de licht rode kleur, waarmee de man is afgebeeld, is mogelijk in verband te brengen met de woorden van de dichter, dat hij te Elmina door de zon zo geel als haverstro gebraden was. Dit wijst erop, dat hij evenmin als de man op de achtergrond, donker haar kan hebben gehad. De belangrijkste aanwijzing is mogelijk de houding van de man: zijn hoofd, gesteund door zijn linker hand, die op de ballustrade rust, heeft een gelaatsuitdrukking, die onmiskenbaar verveling, zwaarmoedigheid, ja droefheid weergeeft, in de woorden die de dichter zelf in zijn brieven gebruikt. Op 10 februari 1669 schrijft Focquenbroch uit Elmina:

... wat aengaet mijn musieck, die is, door het afsterven van wijn cousin Van Heden (die met my overgekomn en hier sedert eenige weken overleden is) sodanigh verstorven, dat ghy mijn violon met droefhyd aen de wand soud sien hangen . . . De melancholische houding van de man op de achtergrond is trouwens typerend voor een dichter, die de 'duitensameling' minachtte en bespotte en zou voor de opperkoopman Roman of een ander persoon van stand niet wel denkbaar zijn.

Ofschoon wij niets van de verstandhouding tussen Wilre en Focquenbroch afweten, mogen wij toch aannemen, dat zij met elkaar overweg konden, anders zou er ergens wel iets in de bewaard gebleven archiefstukken terug te vinden zijn. Het doet er niet zoveel toe, dat Focquenbroch Wilre niet noemt als hij schrijft soo soek ick het resterende vermaeck bij den Opperkoopman (als peter van Wilre's kind wel zeker een vriend aan de generaal), bij den Dominé (Bartholomeus Ysebout, die helaas in zijn bewaard gebleven brieven geen woord over de dichter schrijft), bij mijn boecken .... Fockenbroch, die niet op zwarte vrouwen was gesteld en tot mynen besten niet heel veel van Silenus houw was echter wel een stevige roker. Hij zal over Wilre zo zijn gedachten hebben gehad; zeker is dat diens 'wilde echt' geenszins te vergelijken was met de omgang van het personeel van de Compagnie met zwarte of gekleurde vrouwen. Ongetwijfeld heeft Focquenbroch moeten wennen aan de levensomstandigheden op Elmina; na een verblijf van nog geen vier maanden schrijft hij: ick geloof niet, dat ick tot een van beyden (Amor & Silenus) heel light sal vervallen, alsoo ick het egael voor beestachtighyd en een doodelijcke coyonnerie houw. Hij vormt daarmee zeker een uitzondering onder de 'dienaeren van de Edele Compagnie'. Zijn portret is ons mogelijk door een gelukkig toeval bewaard gebleven; misschien kunnen in de komende jaren nadere bewijzen voor deze identificatie aangevoerd worden.

nedstat terug
TERUG

HOME
Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 2 september 1998.
U kunt mij via E-mail bereiken op: j.helwig@wxs.nl.