GELEERDE NEERLANDICI 1

In 1982 verscheen De verlichte Muze, een bloemlezing uit de poëzie van Kinker door Doctor G.J. Vis. Het is de vraag of het knarsende commentaar dat Vis bij de gekozen teksten verstrekt de lezer waardering bijbrengt voor oudere teksten. Duidelijk is wel dat hij de bij zoveel neerlandici (Ornée, Buijnsters, Wijngaards) bestaande gewoonte hanteert, om bij tekst-verklaring niet de context te bestuderen als basis voor uitleg, maar per woord naar een betekenis te zoeken. Daardoor ontstaan verklaringen, die niets met de betekenis van het geheel te maken hebben. Een voorbeeld. Op p. 52-69 zijn naast elkaar afgedrukt Feiths Alrik en Aspasia en de parodie Alrik en Aspasia, RomanZe. Dit liefdesverhaal speelt in de Middel-eeuwen. Ridder Alrik moet aan zijn kruistochtverplichting voldoen en is naar het Heilig Land vertrokken. Aspasia heeft letterlijk en figuurlijk het nakijken. In de parodie komt een strofe voor, waarin Aspasia in haar gothisch kasteel vruchteloos wacht op haar ridder die toch ééns moet terugkeren:

Zij schat haar' lieven Ridder dood,
En wenscht niet meer te leven. -
Waar 't anders mooglijk dat hij haar
(Met d'Utrechtsman of Gouwenaar,)
Geen naricht had doen geven?

Wat is dat naar.

Moeilijkheid: wat doen die Utrechter en Gouwenaar daar? Het commentaar meldt trouwhartig (p. 73): "d'Utrechtsman: de homosexueel". Toe maar! Terwijl Vis blijkens zijn publikaties nauwelijks geacht kan worden een `dirty mind' te bezitten. Waarom heeft onze ridder ineens homoseksuele (middeleeuwse!) kennissen? Was hij het zelf soms? Was Aspasia dus het soort vrouw dat men wel een `nichtenmoeder' noemt? Of was Aspasia helderziend, en wist zij, als zuster Anna van de transen uitkijkend, dat haar ridder zich vervelende mediterrane gewoontes eigen had gemaakt? Dat alles kan of moet men vermoeden, als men waarde hecht aan de annotatie, en die functioneel wil laten zijn. Anderzijds bevreemdt het natuurlijk al, dat homoseksualiteit een rol kan spelen in een eind-achttiende-eeuwse romance. Bovendien moeten we, gezien de context, op zijn minst aannemen dat Alrik biseksueel is. Want de laatste strofe luidt (de ridder is dan terug):

Het paar trad samen, hand in hand,
Trap op, trap op, naar binnen;
Trap op, trap op, en arm in arm
Om flux (in 't bedtjen, zacht en warm)
Klein Riddertjens te winnen.

Zoo zacht als warm.

Het commentaar zet ons dus voor een vraagteken. Tussen haakjes, die Gouwenaar wordt ook al zo'n personificatie van het verderf, in het kielzog van de verklaring betreffend die Utrechter van de verkeerde kant Want de Goudanees heet een regel verder in het commentaar: "symbool van iets slechts". Iets slechts! Die kaas- en pijpmakers waren zeker bezoekers van de Satanskerk? Vandaar het tonguitsteken door de Goudse gapers?

Het lijkt waarschijnlijk dat aan de basis van het in het gedicht vermoede voorkomen van Het Kwaad ligt: het mechanisme van de WNT-overname. Want daar is de passus te vinden (XVII-2, k. 2655) "Utrechtsch-man [...] Hoed u voor een' Utrechtschman [...]" en: (k. 2654) "Die komt van Utrecht. Men zegt dit bij het biljarten, wanneer een bal van achteren geraakt wordt". Dat laatste heeft natuurlijk alles met het feit te maken dat Utrechters en homoseksualiteit sinds de in Utrecht begonnen homosek-suelenvervolging van 1725-1730 met elkaar in verband gebracht worden; al zal het Woordenboek der Nederlandsche Taal (dit deel is van 1983) het wel uit het hoofd laten die connectie aan te geven. Vis echter was zo verstandig dat verband wél te leggen. Zonder evenwel te verklaren waarom dat verband ook in de parodie zinvol was. Het moet een per-ongeluk-vondst geweest zijn, want soortgelijke, werkelijk erotische verwijzingen in het gedicht, worden niet opgemerkt. Zo heerst stilzwijgen in het commen-taar, wanneer in de tekst gesproken wordt van de roem van de reizende ridder, en de parodie daarover in een voetnoot giechelig opmerkt dat dat wel iets zal zijn in de geest van de roem van le Bijou voiageur uit Diderots les Bijoux indiscrets (p. 63). Die juwelen zijn bij Diderot: geslachtsdelen.

(Wat is die Utrechter dan wél? En die Gouwenaar? Natuurlijk niet meer dan `de post'. Aspasia, in het Noorden, verwacht bericht van haar ridder. Dat bericht kan alleen arriveren met beurtschip, trekschuit, of ander burgerlijk vervoermiddel. Die schepen of die postiljons werden `de Antwerper' e.d. genoemd, naar gelang van de richting waaruit zij kwamen. Een dergelijke verwijzing past in een parodisch systeem waardoor de `hoge' romance van Feith moedwillig getrivialiseerd wordt).

(Deken Daalberg)