HISTORIE VAN BROER CORNELIS ADRIAENSEN VAN DORDRECHT (1569) [4]

Tekstuitgave door Johanna Fenyn en Dirk Smout

Samenvatting van de voorgaande aflevering

Op 1 augustus 1566 preekt Broer Cornelis tegen de ketters, die de voor-schriften en wetten van de rooms-katholieke Kerk immers willen ver-nietigen. Bedoeld wordt met name Charles du Moulin die in opdracht van de Franse koning een boekje schreef tegen het Concilie van Trente en de kerkelijke wetgeving [vermoedelijk zijn Consilium super actis Concilii Tridentini uit 1565]. De Duitse protestanten willen nu ook over dezelfde materie een standaardwerk publiceren. Anderen hebben speciaal tegen het Concilie van Trente geschreven, zoals Johannes Fabricius met zijn Oratio qua docetur Concilium Tridentinum sine scelere à Christianis hominibus frequentari non posse (1562) en Martin Chemnitz met zijn Examen decretorum Concilii Tridentini (1566). Het ergste is dat nu ook katholieken zeggen dat onze H. Vader de Paus zichzelf had moeten onderwerpen aan het Concilie van Trente, dan was onze Moeder de H. Kerk er nu niet zo slecht aan toe geweest. Dat is ketterij en zelfs onzin, want het is immers in overeenstemming met de natuur dat de vader boven de moeder staat.

's Middags ging hij door met zijn verdediging van de paus als hoofd van de Kerk.

Op 4 augustus preekt hij over de calvinisten die de zeven sacramenten tot twee hebben teruggebracht, namelijk het doopsel en het avondmaal. Zo hebben ze zich losgemaakt van het huwelijk, de biecht, het priesterschap, het H. Oliesel en het Vormsel. Dat ze twee sacramenten hebben behouden, is slechts schijn: in het avondmaal blijft het brood slechts brood en hun doopsel stelt evenmin iets voor.

's Middags legt hij uit hoe de calvinisten zonder water dopen. Dit heeft hij van zijn vriendjes vernomen. Zijn `vriendjes' waren groentevrouwen, die op de markt staan, en oude mannetjes die niets om handen hebben. Verder ook oude vrouwtjes en kwezels. Vooral was daar de halfzachte pastoor, Adriaan Smout, waar iedereen de gek mee hield. Velen kwamen hem allerlei onzin wijsmaken voor de lol, of om hem te tergen. Anderen vertelden hem dolle verhalen omdat ze wisten dat hij alles aan Broer Cornelis zou doorgeven. Dat was dus de bron van alle leugenverhalen die Broer Cornelis op de kansel uitkraamde.

Op 7 augustus kwam het bericht dat de calvinisten van Gent, 60.000 man sterk, naar Brugge zouden komen met vier predikanten die twee dagen zouden preken. Dit joeg de Brugse katholieken grote angst aan.

Op vrijdag 9 augustus beraadde de stadsregering zich of die twee dagen de poorten al dan niet gesloten zou houden. Ze besloot twee poorten open te houden, de Kruispoort om het volk naar de preken te laten gaan en de Dampoort voor de gewone reizigers. Calvinistische vreemdelingen mochten 's avonds de stad niet inkomen en wie overdag wilde binnenkomen moest zijn wapens aan de poort afgeven. Tegen de avond lipen veel mensen uit om de calvinisten te zien. Ze brachten het bericht dat de geuzen van Eeklo erbij waren. Sommigen zeiden dat er in totaal maar 10.000 waren, anderen zeiden 8000, en dat ze onder de blote hemel moesten overnachten.

Op 10 augustus, Sint Laurentiusdag, trok een menigte Bruggelingen naar Zevekote, waar de predikaties zouden plaats vinden, maar daarvóór kwamen veel calvinisten van buiten in de stad, die op de Markt en de Burg psalmen zongen. Om negen uur begonnen twee predikanten te preken; één van hen was Pieter Carpentier. 's Morgens in zijn preek had Broer Cornelis uit angst met geen woord van de calvinisten gerept en hij deed niets anders dan jammeren over de vervolging die de katholieken zou te wachten staan, zoals ten tijde van de eerste christenen.

's Middags preekten te Zevekote twee andere predikanten; één was Herman Moded en de andere was Dr. Etienne Marmier. Blijkens zijn middagpreek had Broer Cornelis weer wat moed gekregen. Men had hem verteld dat hij zich rustig moest houden vanwege de 60.000 calvinisten, maar er bleken slechts 5000 te zijn gekomen. Hij zegt niet te begrijpen hoe de katholieken die geuzen hum gang laten gaan, want ze zouden hen makkelijk aankunnen. Hij beschrijft in geuren en kleuren hoe het daar op het veld bij de calvinisten aan toe gaat en wast tenslotte de stadsregering de oren.

Op 11 augustus kwamen de calvinisten met hun vier predikanten tot vóór de stadspoorten en ze namen vanwege de regen twee parochiekerken buiten de stad in gebruik, namelijk die van St.-Kruis en die van St.-Kathelijne. Maar op verzoek van de stadregering verlieten ze deze kerken weer en in de voormiddag preekten drie predikanten op het kerkhof van St.-Kruis, namelijk Moded en Carpentier in het Nederlands en Marmier in het Frans. 's Middags trokken ze weer weg naar Gent. Intussen houdt Broer Cornelis zijn publiek voor dat nu twee kerken ontheiligd zijn doordat de calvinisten die in bezit hebben genomen. Waarom grijpen juliie niet naar de wapens? roept hij. Jaagt hen eruit! Durven jullie niet, stelletje slappelingen, dan smeek ik God dat Hij hen met bliksem en donder eruit slaat.

's Middags preekt Broer Cornelis dat God de calvinisten voor de gek zal houden via de mond van Zijn `echte' predkanten, waar hij zichzelf toe rekent. Daarvoor heb ik genoeg stof, meent de broeder. Vervolgens maakt hij de vier calvinistische predikanten belachelijk door uitvoerig hun armoedige kleding te hekelen en hij besluit met een uitval aan het adres van de stadsregering.

Op 15 augustus gaat hij door met de vier predikanten te bespotten, nu door op hun preken in te gaan. De eerste preekte dat als de hostie of ouwel van de katholieken door de muizen werd opgegeten, de muis moest worden opengesneden en de hostie uit de darmen gehaald en aan iemand te eten gegeven. Die ketter meende ons katholieken daarmee belachelijk te maken, maar in werkelijkheid openbaarde hij onze vroomheid. Want in het geval van een ouwelverorberende muis moet men als katholiek inderdaad op die manier te werk gaan, laat die predikant maar eens Petrus de Palude lezen. Deze haagpredikanten maken zich dus door hun eigen woorden bespottelijk, meent Broer Cornelis. De tweede predikant had het over de hostie die werd uitgebraakt of door buikloop uitgepoept. De restanten van de hostie moesten dan, volgens de katholieke leer, bijeen worden gezocht en aan iemand te eten gegeven. Broer Cornelis meent dat dit nu juist geen schande is, maar ons katholieken eer aandoet. Want het maakt dudielijk dat wij heilig in de transubstantiatie geloven. Citeert hierbij uit het Resolutorium dubiorum circa celebrationem missarum occurentium van Johannes de Lapide. Volgens Broer Cornelis vertelde de derde predikant dat de katholieken menen dat de hostie in het vlees van Christus verandert, maar dat in werkelijkheid het brood brood blijft. Het enige vlees dat eraan te pas komt is het hondevet waarmee de bakvorm wordt ingesmeerd. Het tegenargument van Broer Cornelis is dat de priesters de hostie pas consacreren nadat de hostie is gebakken en dat het dus om het even is waarin die gebakken wordt, of het nu honde- dan wel kattevet is. Ja, wij katholieken geloven inderdaad dat Christus in de hostie met huid en haar present is. De vierde predikant wilde ook tekeer gaan tegen de transubstantiatie, maar hij bleef steken in zijn verhaal en wist niets meer uit te brengen, waarop jongetjes hem uitjouwden omdat hij zijn lesje niet kende. Zie hoe God dit soort predikanten met eigen munt terugbetaalt, besluit hij.

's Middags komt Broer Cornelis zeer ontsteld op de preekstoel vanwege het verschrikkelijke nieuws dat de geuzen in West-Vlaanderen een beeldenstorm hebben ontketend. Het is duidelijk, die booswichten geloven nergens in. Heeft de predikant Moded, die met een brandijzer op zijn rug gemerkt is en die onlangs op het kerkhof van St.-Kruis heeft gepreekt, soms niet gezegd dat de doden niet lichamelijk zouden verrijzen, maar dat de vrrijzenis in geestelijke zin moet worden begrepen? En heeft Carpentier soms niet gezegd op grond van de Schrift dat Maria, behalve Jezus, nog meer kinderen heeft gehad en dat ze een publieke vrouw was geweest? En heeft Marmier niet gepreekt dat de mens geen vrije wil heeft en dat God goed en kwaad gemaakt heeft. Aangezien God onrechtvaardig zou zijn als hij zijn eigen werk zou verdoemen, mogen we er dus allemaal maar lustig op los leven, want God is toch verplicht ons in de hemel op te nemen. Maar ik vrees, vervolgt de broeder, dat die Beeldenstormerij evenmin een incident zal zijn als die hagepreken, want jullie katholieken, jullie zijn slappelingen en komen niet in het geweer. Volgt een uitvoerig zelfbeklag en een verwijzing naar de ellende van de eerste christenen. Deze preek had tot gevolg dat veel kerkgangers in tranen uitbarstten.

Toen de Beeldenstorm van plaats naar plaats oversloeg en men die Brugge zag naderen, beval de stadsregering alle kerken van binnen zodanig te barricaderen dat er maar een klein deurtje open bleef, dat door stadssoldaten werd bewaakt. Alle beelden, schilderijen, orgels enz. werden uit voorzorg uit de kerken verwijderd. Broer Cornelis zou vanaf de zondag een week lang dagelijks hebben gepreekt, zoals de dominikanen, augustijnen en carmelieten dit in de drie weken daarvóór hadden gedaan. Toen had elke orde ook op donderdag het sacrament in processie door de stad gedragen om Gods bescherming voor het katholieke geloof af te smeken. Omdat toen alles in beroering was en Broer Cornelis alleen maar olie op de golven zou gooien, ontraadde de bezorgde stadsregering de overste of gardiaan van de minderbroeders om hem te laten preken. Deze gaf aan hun raad gehoor.

Door het plakkaat van 25 augustus werd de Beeldenstorm gesmoord en daarom begon men te Brugge op 1 september in sommige kerken en kloosters opnieuw te preken. De stadsregering verzocht echter de gerdiaan om Broer Cornelis nog niet te laten preken, tenzij deze zich wat kon intomen inzake de stedelijke overheid.


[VERVOLG VAN DE SERMOONEN]

Den 8. Septembris en wilde B. Cornelis zijn prediken niet langer laten, belovende synen Gardiaen dat hy hem wat bedwingen en wachten soude in zijn sermoonen den Magistraet meer te blameren, noch tvolck niet te beroeren met zijn predicatien. B. Cornelis teem was uut den tweeden Psalm: Dan sal hy tot heurlieder spreken in zijn gramschap, ende in zijnder verbolgentheyt sal hyse verstooren.

B. Cornelis nu naer den text die historie Davids een luttel verhaelt hebbende ende daer naer oock niet lange met die Tropologia besich staende, quam hy op die Allegoria. Dese beghonst hy wel seer modestelick, met droevighe jammerlicke beclaghingen, declamatien en lamentatien over die gruwelicheyt, yselicheyt ende afgrijselicheyt, so hy seyde datter nu deur alle de Nederlanden geschiet was, prijsende ende lovende seer die groote voorsienicheyt ende neersticheyt die den Magistraet van Brugghe gedaen hadde int wederstaen [71v] der beeldenstormers, ende heurlieder stat en kercken so wel bewaert of beschermt hadden datter sulcke horribile enorme dinghen niet gheschiet en waren ende dat sij wel eenen goeden Enghel ghedient hadden, die heurlieder daer in geholpen en bygestaen hadde. Och, och, seyde hy al suchtende, waert ghylieder doch die eerste niet die heurlieder tegen die helighe Inquisitie ghestelt hebt, daer alle dit gruwelick quaet uut gesproten is, dat wilde ick wel, en dat mocht ghylieder ooc wel willen, elc om zijn cleen vingherken. Niet te min, deur dien dat ghylieder u so cloeckelick tegen dese uutsinnighe, dulle, verhoede, rasende honden, dese Guesen of Calvinisten, gestelt hebt, so sult ghy dies te beter apointiment hebben. Ba, maer sonder dat soudt ghy dusent mael grooter straffe en punitie weerdich zijn dan andere. Nochtans sal u de Coninck de oorsake ende de schulden van alle het quaet, van alle de schade en van alle de godloosheyt, dieder gebeurt is, met goede causen en redenen mogen verwijten ende ten halse leggen. 

Goeliens, ick wil dat ghy my wel verstaet en segghet my vrij naer, also ickt segghe: want men sal my terstont het verhoet oft verwoet aentijghen dat ick wederom beghinne te meuten. Maer en beyd, laet de Coninck commen, hy salse so wel weten te vinden en so wellekens weten te castien, die de oorsake zijn val alle dese ruyne, verdervinge en desolatie van dese [72r] Nederlanden die niewers anders uut gesproten is dan alleenlick uut u lieder ende uut der lereneersgaten Requesten, al en mach icket niet seggen. Maer ick hebt geseyt en ick segt noch, ende ick en salt om doot noch om noot, noch om leven noch om sterven, niet swijgen dat dese Nederlanden deur u lieder Requesten ende deur die Requesten van de luysige lereneersgaten, (die hier uut Duytslant en Ghelderlant, of Cleven, ghecommen zijn, wel magher, wel beroyt, en byster) in de meeste desolatie, in de meeste ellende, int meeste verdriet, in de meeste miserie, en inde meeste cativicheit gebrocht zijn die over eenige landen souden mogen commen. Ja, Godt sal u lieder aen spreken in zijn gramschap, en in zijn verbolgentheyt sal hy u lieder verstooren! Want hy is u lieder alle plagen, alle vervloeckinge, alle maledictien, en alle evelen schuldich. Ba, of ick segge dat hy niet rechtveerdich en is. Ba soo siet! 

Ou, ba, wat meendy dat wij sot en dul zijn? En dat wij niet en weten van waer dat ons dese afgrijselicheyt en verwoestinge comt? Ba, loopt en beschijt u! Ba fy, schaemt u en kent u ongelijck. Ba soo siet! Wa sij commen noch en meenen my het preken te verbieden! Ou, ba, ic en staen onder u lieder niet, dat ghijt weett! Ba, ou, ick hadde liever dat ghy bescheten waert dan ick onder u lieder soude staen. Ba wat cond ghy my dan doen? Ba, doet u beste. Ba, haddy u niewers met [72v] ghemoeyet en had u gat bescheten. Ou, wat laet ghy u duncken dat ghy sijt? Ba, wij sullen oock eenen mont om spreken hebben en wij sullender ooc gehoort zijn, ja, beter dan ghy! Ba, wat sal hier af commen? Ba, siet doch hier eens waer met dat wij gheplaecht zijn! En beyd, en beyd, laet de Coninck maer commen, ten sal niet verswegen blijven, dat belove ick u, dat ick soo doe!

Sachternoens, naer dat B. Cornelis synen voorseyden teem uut den tweeden Psalm vernieut hadde (te weten: Dan sal hy tot heurlieder spreken in zijn gramschap, ende in zijnder verbolgentheyt sal hyse verstooren.) so viel hy met gheturbierde sinnen ende met een grammen moet op die beeldebrekers soo gruwelick en verschrickelick dat een mensche ysen en vervaren mochte, tierende en roepende: Waer zijnse nu dese vermaledijde Guesen, dese verdoemde Calvinisten? Hey fy, dese verraders, dese dieven, dese moordenaers, dese sacrilegos, dese dootgeslagen vianden Gods? En beyd, en beyd, Godt salse ooc in zijn gramschap an spreken ende in zijn verbolgentheyt verstooren. Hy salse met donder en blexem slaen! Ba, hy salse met aerdbevingen en tempeesten verstooren. Hy salse met sulfur, peck, terre, en greix [sic] vier, of helsch vier verbranden. Hy salse met pestilentie, romelisoen, cancker, popelsie, melaetsheyt, of laserie, plaghen en vernielen. Ja, met alle besmetheden, besiect-[73r]heden, evelen, dullicheyt, besetenheyt, betoovertheyt, verhoetheyt en met alle maledictien sal hy straffen ende punieren om alle de horribile, enorme, afgrijselicke farcen diese hier in dese Nederlanden bedreven hebben.

Ba, ten zijn gheen Guen, maer het zijn Juen. Ja, hondertdusentmael arger dan Juen! Och hoe hebben sij alomme so schandelick en viandelick met de beelden Christi en met het cruyce Christi geleeft? Ba, sij hebbent an coorden achter straten deur slijck en deur stront gesleept en daer naer met bylen in sticken gehauwen. Och hoe hebben sij ten veel steden het weerdige helige Sacrament, Gods warachtige lichaem, met voeten ghetorden en gedrabbelt. Ja, sij hebben daer en boven in de Sacramentshuysekens en inde Vonten ghekact of gescheten. Ba goeliens, hier van zijn seer wonderlicke myraculen geschiet, die seker en warachtich zijn: ba, de sommige Guesen als sij uut de Sacramentshuysekens ende uut de Vonten quamen, daer sij in gescheten hadden, so waren sij also swert of leelick als baerlicke duvels vander hellen. Ba, en daer is hedensdaechs noch yewers een pagie van eenen grooten Gues, die blijft noch al springende tot anden solder toe, om dat hy op het weerdige Sacrament des outaers met voeten gedrabbelt en ghesprongen heeft in dese beeldestormerie. Maer, goeliens, ou, wat dunct u nu van de Guesen, of Calvinisten? [73v]

Ba, siet ghy nu wel wat datter uut dese haechpredicatien gesproten is? Ba, en heb icket niet wel gheprophetiert en geseyt dat dese Guesen, dese dieven, dese roovers, dese moordenaers, met heurlieder predicatien anders niet en sochten, dan het kercken goet, dan het gheestelick goet en der Papen goet? Ba, en doense noch al geen quaet? Hey, twas al den dach te seggen: Wa Pater Corneli, hoe hebt ghy u aldus? Sij en doen doch gheen quaet. Hey, en waeromme en commense nu niet en seggen datse gheen quaet en doen? Ba, ick meene dat ghy lieder nu wel eens te recht weet wat quaet datse doen. Maer ou, wil ick u seggen, ba ghylieder glorieert daer in en lacht nu in u vuystken dat wij arme Religieusen of gheestelicken aldus jammerlick ghevaren en het onse al quijt zijn. Maer en beyd: ten is niet moghelick, al hadden sijs noch dusentmael meer vanden onsen, ten sal al terstont qualick gevaren ende in corten tijt al achter deur de billen ghelapt of deurt schijtgat ghejaecht zijn. Ou, ba, en beyd, spreeckt my dan toe. Ba, dan moet het Coopmans goet en u lieder goet oock aen staen. Want het moet doch al ghemeen zijn, salder ruste wesen. Ba, ou, en hebbense nu corts Tantwerpen, in dat groote Babilonien, in dien grooten helschen poel, niet briefkens gesaeyt, daer in geschreven was: Der Papen bloet of der Cooplieden goet? Ba, heb ic noch die waerheyt niet geseyt?  Ou, ben ick noch al [74r] een meutmakerken, of vuyl meutijnken? Ba, wilmen my het preken noch al verbieden? Ba, ist noch al wel gherequest? Ba, wilmen noch al roepen om liberteyt? Hey, ist nu niet wel geliberteyt? Ba, ist nu niet wel de Inquisitie en die Placaten om verde getrocken, nu wijt al quijt zijn? Ba, ist nu niet wel gemoderiert? Ou, men moste de Placaten modereren. Ba, loopt voor den duvel met u vervloecte Moderatie, luysige botte Esels, als ghy alle ghelijck sijt, over Edel en onedel, over Magistraet en over al. Ba so siet!

Den 13. Septembris waster wederomme veel te seggen deur de gansche stat van Brugghe hoe datter een Minister of Predicant gecommen was, die sanderdaechs buyten prediken soude voor de Calvinisten van Brugge.

Den 14. Septembris leyde b. Cornelis een ander veerseken uut vanden tweeden Psalm, te weten: Maer ick ben een Coninck gestelt van hem over Sion synen helighen berch, prekende zijn gebot. Goeliens, hier uut hoort ghy wel dat de Coninclicke Propheet David prophetiert en sprict uuten name vande Catholijcke Christelicke Kercke, de welcke als een Coninghinne van Godt gestelt is over de gheloovighe Kerstenen ende dat sy is prekende Gods gebot en zijn leeringe. Ou, ba, waeromme laetmen dan ooc preken dese helsche ketters, dese verdoemde Calvinisten, dese vermaledijde Gods Sacramenten schenders, [74v] dese Gods Kercken schenders, dese Godts Outaren schenders, dese Gods Vontenschenders en Vonteschijters, dese Gods beeldenschenders, dese Gods crucen schenders, dese Godts blasphemateurs, dese vervloecte Godts vianden, dese duvelsche haechpredicanten, waeromme laet men die dan ooc al dus preken he? Ba nu sal hier buyten wederomme den duvel te coop zijn met dese vermaledijde Calvinisten prekinge! Ou, ja, en noch boven dien: men soude my als een Catholijck Predicant, van God over zijn Kercke gestelt, wel willen het preken verbieden. Hey snoo generatie, hey arch geslachte! Hoe sijt ghy betoovert met dese pestilentiale Gueserie: ba, blijcket niet? Ba, en ist niet waer dat ick segge? Ba, liege ick daer an, he? 

Ter wijle dat de beeldestormerie geduerde, alsmen my het preken verboot, liepen alsdoen u lieder Brugsche Calvinisten niet wel dryhondert sterck uut achter Rabbauwenborch om daer eenen haechpredicant te hooren preken? Diergelijcken den eersten dach Septembris hier buyten by de Wasschers brugghe, daer dien Apostaet, dien verloochende Paep van Oudenborch, op zijn Guessche preecte, maer eylacen ic, omdat ic Catholijck ben, en mochte doens niet preken. Ba, ic hebt gheseyt en ick seght noch: in dien ghy Catholijcken dit vermaledijde haechpreken aldus lijden en ghedoogen wilt, soo ist met ons gedaen, soo ist [75r] hier al uut ghecatholijct, soo mogen wij ons preken wel laten staen. Maer daer soude nochtans de baerlicke duvel met spelen. Ou, om so cleenen hoopken luysige Guesen, om sulcken aermen canaillie, om sulcke povere jacht, om sulcken hutteghetut, om sulcken haxken paxken, souden wij Catholijcken daeromme ons Kersten geloove en ons Kersten religie laten te onder of te gronde gaen! Ba, dat waer doch te vileyne onexcuseerlicke schande en te verdienen de eewige maledictie of verdoemenisse! Ba, ghy Catholijcken, stelt daer liever lijf en leven voor. Ou, ba, proevet eens, ter wijlen dat ghy de Guesen en Guesinnen noch machtich sijt! Want ghy kentse nu welcke dat Guesen en Guesinnen zijn, mitsdien datse heurlieder nu selve deur dese duvelsche haechpredicatien al gheopenbaert en bekent ghemaect hebben. Ou, ba, dat ghy Catholijcke eenige viericheyt tot Godt en tot Godts religie hadt, ba, ghy soudt de guesen en guesinnen, twijle dat ghyse noch machtich sijt, selven an grypen ende al levende speten, die huyt af stroopen, ja, ghy soudse behooren al levende te villen en te vlaien, te sieden en te braden, dat ghy soo soud!

Int leste van dit sermoon roeyde en bewegede hy sommige van zijn Catholijcken deur veel gruwelicke of verschrikkelicke woorden, also op tot wrake en bloetsturten datse al vloeckende en swerende ter kercken uutghingen, seggende: Wij [75v] sullen by Gods vijf wonden en by Gods seven Sacramenten het messe eens moeten inde hant nemen, of daer en sal anders geen eynde van dese gueserie te verwachten zijn.

Als de Calvinisten nu desen selfden voornoen op S. Cruys Kerckhof gepredict hadden ende daer sachternoens wederomme begonsten te prediken, so wiert heurlieder predicatie deur het ghebeyere van de clocken (mits dattet S. Cruys dach was) verstoort. Daeromme vertrocken sij van daer op het velt by Sevecoten, daermen op S. Laurentius dach gepredict hadde, meenende an die plaetse oock recht te hebben, naert inhouden vant accoort dat met de gheconfedereerde Edellieden tot S. Truyen ghemaect was, te weten: dat die gheconfedereerde Edellieden souden beletten datmen de nieuwe Religie nieuwers en soude prediken daermense totten 23. dach Augusti niet ghepredict en hadde ende oock te beletten datmen nieuwers meer in de wapenen soude prediken. Maer sommighe vanden Magistraet vant Vrije quamen uut de stat van Brugge met een hoop krijchsvolc om de predicatie van daer te verjagen, mits dat het velt onder de jurisdictie vanden Vrije gheleghen is. Die krijchslieden siende dat de Calvinisten niet en wilden vluchten, so trocken sij heur messen uut en sloegen in de Calvinisten om plaetse te maken ende grijpende naer den Predicant om dien te vanghen, be-[76r]hielden sij synen baert, maer hy ontworstelde. Daer riepen die krijchslieden: Slae doot! slae doot! waer deur dat sommige Calvinisten ghewont of ghequetst wierden en met groote murmuratie inde stat quamen.

Op desen achternoen en predicte B. Cornelis niet om dattet s